ECLI:NL:CRVB:2011:BT6172
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.M. van Male
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag voor een adequate woning op grond van de Wmo
Appellanten, bestaande uit een moeder en haar twee kinderen, vroegen bij het College van burgemeester en wethouders van Haarlem een voorziening in de vorm van een adequate woning op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). De aanvraag werd afgewezen omdat het verzoek niet viel binnen de reikwijdte van artikel 4 van Pro de Wmo en er een voorliggende voorziening was op grond van de Huisvestingswet.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellanten ongegrond, waarna appellanten hoger beroep instelden bij de Centrale Raad van Beroep. De Raad oordeelde dat de gevraagde voorziening niet kan worden aangemerkt als maatschappelijke opvang, omdat appellanten reeds woonruimte hadden en het verzoek niet gericht was op tijdelijk onderdak.
Verder stelde de Raad vast dat de gevraagde voorziening niet valt onder de vier prestatievelden van artikel 4 Wmo Pro, die zich richten op het voeren van een huishouden, verplaatsing in en om de woning, lokaal vervoer en sociale contacten. Het verzoek om toewijzing van een woning of hulp bij het vinden daarvan valt hier niet onder.
Daarom bevestigde de Raad het besluit van het College en liet het beroep op artikel 8 EVRM Pro onbesproken. Het hoger beroep werd afgewezen en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag voor een adequate woning wordt afgewezen omdat deze niet onder de prestatievelden van artikel 4 Wmo valt.