ECLI:NL:CRVB:2011:BT6407
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Ontvankelijkheid hoger beroep UWV tegen toerekenings- en verhaalsbesluit WAO
Het geschil betreft het hoger beroep van het UWV tegen een uitspraak van de rechtbank die het toerekenings- en verhaalsbesluit inzake WAO-uitkeringen ten aanzien van een werkgeefster vernietigde. De werkgeefster was eigenrisicodrager geworden en werd door het UWV aangeslagen voor betaling van WAO-uitkeringen over een bepaalde periode.
Na het instellen van het hoger beroep is de werkgeefster failliet verklaard en heeft de curator aangegeven de procedure niet over te nemen. Het UWV heeft erkend hiervan kennis te hebben genomen en wacht verdere ontwikkelingen af, waarbij het belang van het hoger beroep zich beperkt tot jurisprudentievorming.
De Centrale Raad oordeelt dat het ontbreken van een concreet financieel belang betekent dat het hoger beroep niet-ontvankelijk is wegens het ontvallen van voldoende procesbelang. De uitspraak bevestigt dat een louter principieel belang onvoldoende is voor ontvankelijkheid.
De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk en wijst een proceskostenveroordeling af. Hiermee komt een einde aan de procedure zonder inhoudelijke beoordeling van het geschil over de toerekening van de WAO-kosten.
Uitkomst: Het hoger beroep van het UWV wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang na faillissement van de werkgeefster.