ECLI:NL:CRVB:2011:BT6836
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- Rechtspraak.nl
Vernietiging terugvorderingsbesluit bijstand zelfstandige wegens onjuiste bedrijfsbeëindiging
Appellant exploiteerde een Surinaamse levensmiddelen- en broodjeszaak en vroeg op 28 maart 2007 algemene bijstand aan vanwege onvoldoende bedrijfsresultaten. Het College verleende bijstand onder de voorwaarde dat appellant zijn bedrijfsactiviteiten uiterlijk op 27 september 2007 zou beëindigen. Na verlenging en hernieuwde aanvraag werd de bijstand voortgezet tot uiterlijk 31 januari 2008 met dezelfde verplichting.
Het College vorderde de bijstand terug omdat appellant niet aan de beëindigingsverplichtingen had voldaan. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond, maar de Raad oordeelde dat het College de bijstand over de periode 28 maart tot 27 september 2007 niet meer kon terugvorderen, omdat appellant toen nog als beëindigende zelfstandige werd aangemerkt. Voor de periode van 28 september 2007 tot 31 januari 2008 was appellant niet bereid zijn bedrijfsactiviteiten te beëindigen.
De Raad vernietigde het besluit van 19 januari 2009 en bepaalde dat het College een nieuwe berekening moet maken voor de terugvordering over de periode 28 september 2007 tot 31 januari 2008. De Raad zag af van de bestuurlijke lus omdat het slechts om een financiële uitwerking ging en veroordeelde het College in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het terugvorderingsbesluit vernietigd, met opdracht aan het College tot nieuwe berekening.