ECLI:NL:CRVB:2011:BT6984

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6673 WTOS
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing aanvraag om tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten

In deze zaak heeft de Centrale Raad van Beroep op 7 oktober 2011 uitspraak gedaan in het hoger beroep van appellante, die een aanvraag had ingediend voor een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten. De aanvraag was door de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap afgewezen omdat deze te laat was ingediend, namelijk na de wettelijke termijn van 31 juli 2009. Appellante stelde dat zij door haar psychische gezondheidstoestand na ontslag uit het ziekenhuis eind juni 2009 niet in staat was om de aanvraag tijdig in te dienen. De Raad heeft de overgelegde medische verklaringen van haar behandelend arts, dr. W. Hagemann, beoordeeld, maar was niet overtuigd dat appellante daadwerkelijk niet in staat was om de aanvraag zelf of met hulp in te dienen. De Raad oordeelde dat de cognitieve problematiek van appellante niet duidde op een absolute onmogelijkheid om administratieve taken uit te voeren. De Raad bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank, die het beroep van appellante ongegrond had verklaard. De Raad concludeerde dat het hoger beroep geen doel trof en dat er geen aanleiding was voor een proceskostenvergoeding. De uitspraak werd gedaan in het openbaar en is gepubliceerd op rechtspraak.nl.

Uitspraak

10/6673 WTOS
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (Duitsland) (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 12 november 2010, 10/224 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (hierna: de Minister).
Datum uitspraak: 7 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. I.J.M. Gelissen, advocaat te Hoensbroek, hoger beroep ingesteld.
De Minister heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 augustus 2011. Appellante en haar gemachtigde zijn, zoals tevoren bericht, niet verschenen. Voor de Minister is verschenen mr. T. Holtrop.
II. OVERWEGINGEN
1. Per 1 januari 2010 is de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep (IB-Groep) in rechte opgevolgd door de Minister. In deze uitspraak wordt onder de Minister tevens verstaan de IB-Groep.
2. Bij besluit van 24 december 2009 is ongegrond verklaard het bezwaar van appellante tegen het besluit van de Minister van 22 oktober 2009 tot afwijzing van de op
26 augustus 2009 ingekomen aanvraag van appellante om ten behoeve van haar zonen Kenny en Ritchie een tegemoetkoming in de onderwijsbijdrage en schoolkosten voor het schooljaar 2008-2009 te verlenen, zulks onder handhaving als reden voor de afwijzing dat op tegemoetkoming geen recht bestaat, aangezien de aanvraag na 31 juli 2009 is ingekomen.
3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 24 december 2009 ongegrond verklaard. Hiertoe is overwogen dat de aanvraag niet binnen de bij artikel 3.8, tweede lid, van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) vastgestelde termijn is ingediend. Voorts is overwogen dat het beroep op de in artikel 11.4 van de Wtos neergelegde hardheidsclausule niet slaagt, nu appellante niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij na ontslag uit het ziekenhuis (eind juni 2009) wegens gezondheidsproblemen in de absolute onmogelijkheid verkeerde een aanvraag in te dienen, dan wel een derde te vragen haar belangen te behartigen.
4. In hoger beroep heeft appellante haar in beroep aangevoerde gronden merendeels herhaald. Ten verdere bewijze van haar stelling dat zij in verband met medische problemen eerst op 31 juli 2009 in staat was de aanvraag in te vullen en ter post te bezorgen, heeft zij een verklaring van 20 juli 2011 van haar behandelend arts
dr. W. Hagemann overgelegd.
5.1. De Raad overweegt als volgt.
5.2. Ingevolge artikel 3.8, tweede lid, van de Wtos dient een aanvraag om tegemoetkoming voor het einde van het desbetreffende schooljaar, dat in het onderhavige geval ingevolge art. 1.1, eerste lid, Wtos loopt tot en met 31 juli 2009, te worden ingediend. Een aanvraag om tegemoetkoming in de zin van artikel 3.8 van de Wtos is ingediend zodra hij door de Minister is ontvangen en niet zodra hij is verzonden. De Raad verwijst in deze naar zijn uitspraak van 16 mei 2008, LJN BD1924. Tussen partijen is niet in geschil dat de aanvraag door de Minister is ontvangen op 26 augustus 2009, derhalve na het einde van het desbetreffende schooljaar en dus buiten de wettelijk voorgeschreven termijn. In het midden kan worden gelaten of appellante aannemelijk heeft gemaakt dat zij, zoals zij stelt, de aanvraag op 31 juli 2009 ter post heeft bezorgd. Een ter postbezorging op de laatste dag van de termijn kan er namelijk niet toe leiden dat de aanvraag om tegemoetkoming op grond van de Wtos tijdig is ingediend.
5.3. De Minister voert bij de uitoefening van de bevoegdheid van artikel 11.4 van de Wtos in de situatie dat de aanvraag te laat is ingediend een beleid dat inhoudt dat een uitzondering wordt gemaakt, indien de aanvrager aantoont dat tijdige indiening als gevolg van bijzondere omstandigheden niet mogelijk is geweest, waarbij met bijzondere omstandigheden wordt bedoeld dat er sprake moet zijn van overmacht in de zin van een acute, spoedeisende situatie in de laatste dagen voor afloop van de indieningstermijn die in de weg heeft gestaan aan tijdige indiening. Daarbij wordt gedacht aan (bijvoorbeeld) een plotselinge opname in het ziekenhuis met dien verstande dat de aanvrager binnen een redelijke termijn - een termijn van zes weken - nadat aan die situatie een einde is gekomen, alsnog een aanvraag indient. De Raad is van oordeel dat het vorenbedoelde beleid binnen de grenzen van de redelijkheid is gelegen.
5.4. Appellante kan aan dat beleid geen aanspraak ontlenen. De Raad is er door de overgelegde medische verklaringen van haar behandelend arts niet van overtuigd geraakt dat appellante na ontslag uit het ziekenhuis einde juni 2009 ten gevolge van haar psychische gezondheidstoestand eerst op 31 juli 2009 in staat kon worden geacht de aanvraag in te vullen en op te sturen. De door arts Hagemann beschreven cognitieve problematiek van appellante wijst niet op een absolute onmogelijkheid voor appellante de aanvraag zelf, of met hulp van iemand anders, tijdig in te dienen. Door arts Hagemann wordt onvoldoende draagkrachtig gemotiveerd dat appellante wel op de datum 31 juli 2009 maar niet in de periode daaraan voorafgaand in staat kon worden geacht tot het verrichten van administratieve taken.
5.5. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden bevestigd.
6. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 oktober 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) H.L. Schoor.