ECLI:NL:CRVB:2011:BT7098
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- J. Riphagen
- Rechtspraak.nl
Beoordeling weigering terugkomen op intrekking AAW/WAO-uitkering en overschrijding redelijke termijn
Appellant verzocht het UWV om terug te komen op het besluit van 13 augustus 1991 waarbij zijn AAW/WAO-uitkering werd ingetrokken. Het UWV wees dit verzoek af omdat er geen nieuwe feiten en omstandigheden waren. De rechtbank vernietigde dit besluit en bepaalde dat het UWV een nieuw besluit moest nemen, waarbij de medische informatie van appellant als nieuwe feiten werden erkend.
Na nieuw onderzoek door een bezwaarverzekeringsarts handhaafde het UWV opnieuw het besluit tot intrekking van de uitkering. De rechtbank verklaarde het beroep tegen dit nieuwe besluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat het onderzoek onvoldoende was en dat onvoldoende aandacht was besteed aan de medische informatie van zijn specialisten. Tevens klaagde hij over overschrijding van de redelijke termijn zonder dat de rechtbank hierover oordeelde.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig en gemotiveerd was, en dat het UWV in redelijkheid tot het bestreden besluit kon komen. Tevens stelde de Raad vast dat de redelijke termijn van de procedure was overschreden en veroordeelde het UWV tot een schadevergoeding van €1.500,-. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd, behalve dat de Raad de rechtbank vernietigde voor het nalaten van een oordeel over de schadevergoeding wegens termijnoverschrijding.
Uitkomst: Het UWV mocht het besluit tot intrekking van de AAW/WAO-uitkering handhaven, maar werd veroordeeld tot betaling van schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.