ECLI:NL:CRVB:2011:BT8658
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning WAO-uitkering wegens toegenomen arbeidsongeschiktheid
Appellant stelde in hoger beroep dat het UWV onvoldoende rekening had gehouden met zijn klachten, waaronder huidproblemen en vermoeidheid, en dat hij per 20 december 2004 volledig arbeidsongeschikt was. De rechtbank had het beroep ongegrond verklaard en het bestreden besluit van 15 september 2010 bevestigd, waarbij een WAO-uitkering werd toegekend op basis van een arbeidsongeschiktheid van 35 tot 45%.
De Centrale Raad van Beroep overwoog dat de rechtbank uitvoerig en goed had gemotiveerd waarom de klachten van appellant niet leidden tot een hogere mate van arbeidsongeschiktheid. De Raad vond dat appellant onvoldoende medische stukken had overgelegd om extra beperkingen aan te tonen, en dat de bezwaarverzekeringsarts de beperkingen adequaat had gemotiveerd.
Het hoger beroep werd verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De Raad concludeerde dat het UWV-besluit een deugdelijke medische en arbeidskundige grondslag had en dat de mate van arbeidsongeschiktheid juist was vastgesteld.
Uitkomst: Hoger beroep wordt ongegrond verklaard en toekenning WAO-uitkering van 35-45% bevestigd.