ECLI:NL:CRVB:2011:BT8973
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde toeslag op grond van de Toeslagenwet
Appellante ontving een toeslag ingevolge de Toeslagenwet (TW) die later door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) werd herzien vanwege onjuiste inkomensgegevens van haar echtgenoot. Het Uwv vorderde de onverschuldigd betaalde toeslag terug, waarbij de terugvordering bruto werd vastgesteld. Appellante voerde aan dat zij recht had op toeslag omdat haar echtgenoot niet de gehele periode inkomsten had en dat de terugvordering netto had moeten plaatsvinden. Tevens stelde zij dat het Uwv nalatig was geweest in de terugvordering, wat aanleiding had moeten zijn tot beperking van de terugvordering.
De Raad stelde vast dat het herzieningsbesluit van 2 februari 2009 in rechte onaantastbaar was geworden doordat geen rechtsmiddelen waren aangewend. De stelling van appellante dat zij recht had op toeslag kon daarom niet slagen. Verder oordeelde de Raad dat de TW imperatief voorschrijft dat onverschuldigde betalingen teruggevorderd moeten worden, zonder ruimte voor belangenafweging. De terugvordering van bruto bedragen is in lijn met het geldende beleid en jurisprudentie, aangezien appellante niet binnen hetzelfde belastingjaar terugbetaalde.
De Raad concludeerde dat het hoger beroep ongegrond is en bevestigde de uitspraak van de rechtbank Amsterdam. Er werd geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de terugvordering van de onverschuldigd betaalde toeslag wordt bevestigd.