ECLI:NL:CRVB:2011:BU1897
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing verzoek wettelijke rente over nabetaling WW-uitkering wegens verjaring
Appellant diende een verzoek in bij het UWV tot betaling van wettelijke rente over nabetalingen van zijn WW-uitkering, die aanvankelijk waren stopgezet wegens ziekte. Het UWV had de uitkering met terugwerkende kracht hervat en nabetalingen verricht. Het verzoek om wettelijke rente werd door het UWV afgewezen vanwege verjaring, waarna appellant bezwaar maakte dat ongegrond werd verklaard.
In hoger beroep stelde appellant dat hij het UWV eerder dan juni 2009 had geïnformeerd over zijn onvrede over het niet betalen van wettelijke rente. De Raad overwoog echter dat appellant geen nieuwe feiten had ingebracht die aantonen dat hij zich binnen de wettelijke verjaringstermijn van vijf jaar tot het UWV had gewend.
De Raad sloot aan bij de rechtbank die oordeelde dat de verjaringstermijn begon te lopen vanaf het moment dat de onrechtmatigheid van het besluit onherroepelijk vaststond, namelijk een dag na de brief van 31 oktober 2003. Omdat appellant pas in 2009 een verzoek deed, was het verzoek verjaard. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het verzoek om wettelijke rente over de nabetaling van de WW-uitkering is afgewezen wegens verjaring.