ECLI:NL:CRVB:2011:BU1899
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep vernietigt besluit UWV over weigering WW-uitkering wegens onvoldoende onderzoek gezagsverhouding
Appellant sloot in april 2007 zorgovereenkomsten met een cliënt voor persoonlijke verzorging en begeleiding van haar minderjarige dochters. Vanaf maart 2008 vroeg hij een WW-uitkering aan, die door het UWV werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant dit en stelde dat er wel degelijk een arbeidsovereenkomst bestond met een gezagsverhouding en dat hij voldeed aan de wekeneis.
Het UWV nam in juli 2011 een gewijzigd besluit waarin werd gesteld dat appellant niet verplicht verzekerd was omdat er geen gezagsverhouding was en subsidiair dat hij niet voldeed aan de wekeneis. De Raad oordeelde dat het UWV onvoldoende onderzoek had gedaan naar de feitelijke gang van zaken en dat het ontbreken van een gezagsverhouding niet kon worden aangenomen op basis van een affectieve relatie alleen. Het subsidiaire standpunt over de wekeneis werd wel bevestigd, omdat appellant onvoldoende bewijs leverde dat hij in de vereiste weken arbeid had verricht.
De Centrale Raad vernietigde het oorspronkelijke besluit van 10 oktober 2008 en verklaarde het beroep tegen het gewijzigde besluit van 26 juli 2011 ongegrond. Tevens werd het UWV veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten en het betaalde griffierecht.
Uitkomst: Het beroep tegen het gewijzigde besluit van het UWV wordt ongegrond verklaard en de weigering van de WW-uitkering blijft in stand.