ECLI:NL:CRVB:2011:BU2112
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving vanaf 1994 een bijstandsuitkering naar de norm voor gehuwden, later toegekend als alleenstaande ouder na melding van vertrek van haar partner V. Uit onderzoek van de sociale recherche bleek dat appellante en V feitelijk samenwoonden in dezelfde woning, ondanks dat V op andere adressen stond ingeschreven. Het College trok de bijstand met terugwerkende kracht in en vorderde de kosten terug.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en dit werd in hoger beroep bevestigd. Appellante voerde aan dat zij en V niet gehuwd waren en dat het College ten onrechte de intrekking baseerde op duurzaam gescheiden levende echtgenoten, maar de Raad oordeelde dat het ging om gezamenlijke huishouding, waarbij het criterium van wederzijdse zorg niet vereist was vanwege de gezamenlijke kinderen.
De Raad hechtte zwaar aan de verklaringen van V en appellante, de bevindingen van de sociale recherche en getuigenverklaringen van buurtbewoners. Er was voldoende bewijs dat V zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. Het hoger beroep had geen doel en de aangevallen uitspraak werd bevestigd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens gezamenlijke huishouding.