ECLI:NL:CRVB:2011:BU2136
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs van leningen
Appellante had bijstand aangevraagd over de periode van 18 oktober 2002 tot 17 november 2006. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam had de bijstand geweigerd omdat zij niet in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeerde en onvoldoende aannemelijk had gemaakt dat de ontvangen gelden leningen waren.
De rechtbank had het eerdere besluit van het College vernietigd vanwege een verkeerde toepassing van artikel 44 WWB Pro, maar verklaarde het latere bezwaar ongegrond. Appellante stelde dat haar zoons haar en haar overleden echtgenoot financieel hadden bijgestaan via leningen, die mondeling waren overeengekomen in een familiaire sfeer.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat sprake was van leningen, omdat de overgelegde stukken niet verifieerbaar waren. Hierdoor kon niet worden vastgesteld van wie en met welk oogmerk zij bedragen had ontvangen, noch dat er een terugbetalingsverplichting bestond.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank en zag geen aanleiding om appellante in de proceskosten te veroordelen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van bijstandsuitkering wegens onvoldoende bewijs van leningen.