ECLI:NL:CRVB:2011:BU3834

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
9 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5291 WAJONG
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 5 WajongArt. 10 Wajong
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing Wajong-uitkering wegens ontbreken ingezetenschap op 17-jarige leeftijd

Appellant vroeg een Wajong-uitkering aan op grond van arbeidsongeschiktheid die bestond vóór zijn zeventiende verjaardag. Het UWV wees de aanvraag af omdat appellant zich pas op zijn 20e jaar in Nederland vestigde, terwijl artikel 5 van Pro de Wajong vereist dat de jonggehandicapte ingezetene is op de dag dat hij 17 wordt.

De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak. De Raad overwoog dat de ingezetenschapseis essentieel is voor toegang tot de Wajong en dat het niet voldoen daaraan betekent dat verdere beoordeling van andere toepasselijke artikelen niet aan de orde is.

Appellant verscheen niet bij de zitting, maar zijn advocaat voerde het hoger beroep. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en stelde het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank ongewijzigd vast.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de ingezetenschapseis op 17-jarige leeftijd.

Uitspraak

10/5291 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant)
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 13 augustus 2010, 10/883 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 9 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. R.G. Groen, advocaat, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 september 2011. Appellant is met bericht van verhindering niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong), zoals die luidden tot 1 januari 2010.
1.2. Appellant, geboren [in] 1970, heeft bij het Uwv op 21 april 2009 een aanvraag om een Wajong-uitkering ingediend. Daarbij heeft hij te kennen gegeven sinds 1991 in Nederland te wonen en vanwege vóór zijn zeventiende verjaardag bestaande psychische problemen arbeidsongeschikt te zijn.
1.3. Bij besluit van 26 augustus 2009 heeft het Uwv de aanvraag van appellant om een Wajong-uitkering afgewezen. Het tegen dit besluit door appellant gemaakte bezwaar is bij besluit van 28 december 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
3. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
3.1. Ingevolge artikel 5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wajong wordt als jonggehandicapte aangemerkt de ingezetene die op de dag waarop hij 17 jaar wordt, arbeidsongeschikt is.
3.2. Het Uwv heeft de aanvraag afgewezen primair op de grond dat niet is voldaan aan de in artikel 5 van Pro de Wajong neergelegde eis dat sprake moet zijn van ingezetenschap, nu appellant zich op zijn 20e jaar in Nederland heeft gevestigd.
3.3. De Raad onderschrijft het standpunt van het Uwv. Niet in geschil is dat appellant zich eerst op zijn 20e jaar in Nederland heeft gevestigd. Nu niet is voldaan aan de in artikel 5 van Pro de Wajong neergelegde eis dat voor toegang tot de Wajong er sprake dient te zijn van ingezetenschap, wordt aan de toepassing van artikel 10 van Pro de Wajong en de daarmee samenhangende beleidsregels niet toegekomen. Hieruit volgt dat de gronden die appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, die zich moet name tegen de toepassing van laatstgenoemd artikel richten, verder onbesproken kunnen blijven.
3.4. Uit 3.1, 3.2 en 3.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en J. Riphagen en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 9 november 2011.
(get.) H.G. Rottier.
(get.) N.S.A. El Hana.
KR