ECLI:NL:CRVB:2011:BU4021

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
31 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5714 WWB-VV + 11-5715 WWB-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Rechters
  • N.J. van Vulpen-Grootjans
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8 EVRMArt. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 11 WWBArt. 15 WWB
Verwijzingen
15 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek voorlopige voorziening bij weigering bijstandsuitkering wegens ontbreken verblijfstitel

Verzoeker, van Nigeriaanse nationaliteit, ontving bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) maar het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam beëindigde deze bijstand wegens het ontbreken van een verblijfstitel. Verzoeker stelde bezwaar en beroep in, maar deze werden ongegrond verklaard door de rechtbank.

Verzoeker vorderde vervolgens een voorlopige voorziening bij de Centrale Raad van Beroep om de bijstand alsnog te verkrijgen. Hij stelde dat hij vanwege zijn HIV-infectie een kwetsbare burger is en dat de Staat hem op grond van artikel 8 EVRM Pro moet helpen.

De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11 WWB Pro en dat de WWB het verlenen van bijstand in dit geval uitsluit, ook niet bij zeer dringende redenen. De positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro kan niet via de WWB worden ingevuld maar rust op andere bestuursorganen die voorliggende voorzieningen uitvoeren.

De voorzieningenrechter achtte het niet redelijk waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven en wees het verzoek om voorlopige voorziening af. Er werd geen vergoeding van griffierecht of proceskosten toegekend.

Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de weigering van bijstand wegens ontbreken van een verblijfstitel wordt afgewezen.

Uitspraak

11/5714 WWB-VV
11/5715 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Verzoeker], wonende te [woonplaats] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 18 juli 2011, 11/2085 en 11/2568 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam (hierna: College)
Datum uitspraak: 31 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
Namens verzoeker is tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan.
II. OVERWEGINGEN
1. De voorzieningenrechter gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Verzoeker heeft de Nigeriaanse nationaliteit en ontving bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande.
1.2. Bij besluit van 19 november 2010 heeft het College de bijstand van verzoeker met ingang van 1 december 2010 beëindigd op de grond dat verzoeker niet (langer) beschikt over een verblijfstitel op grond waarvan recht op bijstand bestaat. Bij besluit van 14 maart 2011 heeft het College het bezwaar van verzoeker tegen het besluit van 19 november 2010 ongegrond verklaard.
1.3. Bij besluit van 1 februari 2011 heeft het College de aanvraag om bijstand van verzoeker van 17 december 2010 afgewezen op de grond dat niet gebleken is dat verzoeker ten tijde van de aanvraag van 17 december 2010 wel recht op bijstand zou hebben. Bij besluit van 13 april 2011 heeft het College het bezwaar tegen het besluit van 1 februari 2011 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van verzoeker tegen de besluiten van 14 maart 2011 en 13 april 2011 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft hierbij overwogen dat vaststaat dat verzoeker geen vreemdeling is als bedoeld in artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Dit betekent dat het College verzoeker gelet op artikel 16, tweede lid, van de WWB ook in geval van zeer dringende redenen geen bijstand mag verlenen. Het beroep dat verzoeker op artikel 8 van Pro het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) heeft gedaan slaagt volgens de rechtbank niet.
3. Verzoeker heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.
4. De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Ingevolge artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als bedoeld in artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verzoeker een voldoende spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorziening.
4.3. Bij de beoordeling of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, vereist dat een voorlopige voorziening wordt getroffen, komt in een geval als dit mede de vraag in beeld of er een redelijke mate van waarschijnlijkheid bestaat dat de aangevallen uitspraak niet in stand zal blijven. Het hier op die vraag te geven antwoord draagt een voorlopig karakter en is niet bindend voor de beslissing in de hoofdzaak.
4.4. Niet in geschil is dat verzoeker, ten tijde hier van belang, geen vreemdeling is in de zin van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB. Als gevolg hiervan valt verzoeker onder artikel 16, tweede lid, van de WWB, en kan aan hem zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen bijstand worden verleend.
4.5. Verzoeker heeft enkel aangevoerd dat hij, vanwege zijn HIV-infectie, een kwetsbare burger is. Op grond daarvan stelt hij dat de Staat in het licht van artikel 8 van Pro het EVRM verplicht is hem te helpen. De Raad wijst echter op zijn uitspraken van 19 april 2010 (LJN BM1992) en 29 juni 2011 (LJN BR1060), waaruit volgt dat ook in het geval sprake is van de beschermende werking van artikel 8 van Pro het EVRM de beperkte doelstelling van de WWB met zich brengt dat de positieve verplichting van de Staat niet met toepassing van de WWB gestalte kan worden gegeven, maar dat die rust op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorliggende voorzieningen als bedoeld in artikel 15, eerste lid, van de WWB. De voorzieningenrechter ziet in hetgeen verzoeker heeft aangevoerd geen grond om in zijn geval anders te oordelen.
4.6. Gelet op hetgeen onder 4.4 en 4.5 is overwogen acht de voorzieningenrechter het dan ook niet in redelijke mate waarschijnlijk dat de aangevallen uitspraak in hoger beroep niet in stand zal blijven. Het verzoek om voorlopige voorziening komt derhalve niet voor inwilliging in aanmerking.
4.7. Uit het voorgaande volgt dat het verzoek om voorlopige voorziening kennelijk ongegrond is, zodat de voorzieningenrechter, gelet op artikel 8:83, derde lid, van de Awb uitspraak kan doen zonder zitting.
5. Voor vergoeding van het door verzoeker betaalde griffierecht en voor een veroordeling in de proceskosten ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht af.
Deze uitspraak is gedaan door N.J. van Vulpen-Grootjans, in tegenwoordigheid van M. Pijper als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 31 oktober 2011.
(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.
(get.) M. Pijper.
HD