ECLI:NL:CRVB:2010:BM1992
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- R.M. van Male
- H.J. de Mooij
- Rechtspraak.nl
Beoordeling van bijstandsaanvraag van kwetsbare vreemdeling met medische opvangbehoefte
Appellant, een kwetsbare vreemdeling zonder verblijfsvergunning, verzocht om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB). Hij verblijft in een instelling waar hij de nacht op een slaapzaal doorbrengt, wat schadelijk is voor zijn gezondheid. Het College wees de bijstandsaanvraag af vanwege het koppelingsbeginsel in artikel 16, tweede lid, WWB, dat vreemdelingen zonder verblijfsrecht uitsluit.
De voorzieningenrechter en later de Centrale Raad van Beroep bevestigden deze afwijzing. Hoewel appellant op grond van artikel 8 EVRM Pro recht heeft op bescherming van zijn privé- en gezinsleven, en de opvangsituatie schadelijk is, acht de Raad het koppelingsbeginsel niet in strijd met dit recht. De positieve verplichting uit artikel 8 EVRM Pro dient te worden ingevuld binnen de wettelijke kaders en via passende voorliggende voorzieningen.
De Raad benadrukt dat de wetgever bewust vreemdelingen zonder verblijfsrecht buiten het bereik van bijstand heeft geplaatst, en dat de situatie van appellant adequaat moet worden aangepakt via andere voorzieningen zoals de Wet COA. De Raad ziet geen reden om het koppelingsbeginsel buiten toepassing te laten en wijst het hoger beroep af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de afwijzing van de bijstandsaanvraag van appellant vanwege het koppelingsbeginsel, ondanks de schending van zijn privéleven onder artikel 8 EVRM.