ECLI:NL:CRVB:2011:BU4527
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens niet woonachtig op opgegeven adres
Appellant diende op 28 januari 2010 een aanvraag om bijstand in met als woonadres een adres in een gemeente. Het College van burgemeester en wethouders van die gemeente stelde een onderzoek in naar de woonsituatie van appellant. Na meerdere pogingen om appellant thuis aan te treffen, vond een gesprek en huisbezoek plaats waarbij bleek dat appellant weinig persoonlijke bezittingen en geen medicatie op het opgegeven adres had. Tevens was onduidelijk of appellant een sleutel van de woning bezat.
Het College wees de aanvraag bij besluit van 23 maart 2010 af en verklaarde het bezwaar ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde en niet voldeed aan zijn inlichtingenplicht. Appellant voerde in hoger beroep aan dat hij wel degelijk zijn hoofdverblijf had op het opgegeven adres en dat de pintransacties in een andere gemeente te verklaren waren door bezoeken aan familie.
De Raad oordeelde dat de beoordeling van het recht op bijstand uitgaat van de woonsituatie gedurende de periode van de aanvraag tot het primaire besluit. Op grond van concrete feiten en omstandigheden, waaronder het huisbezoek en het pinverkeer, concludeerde de Raad dat appellant onjuiste of onvolledige gegevens had verstrekt over zijn woonadres. Hierdoor kon niet worden vastgesteld of appellant recht had op bijstand. De Raad bevestigde daarom het besluit tot afwijzing en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De bijstandsaanvraag van appellant wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van woonachtig zijn op het opgegeven adres.