Verzoeker, een vreemdeling zonder vaste verblijfplaats, diende aanvragen in voor levensonderhoud en maatschappelijke opvang bij de gemeente Almere. De gemeente stuurde de aanvraag voor bijstand door naar de gemeente Dronten, waar verzoeker verbleef, en wees de aanvraag maatschappelijke opvang af op grond van de Vreemdelingenwet 2000 en het ontbreken van een verblijfstitel.
De voorzieningenrechter oordeelde dat de doorzending van de aanvraag als een besluit tot weigering moest worden beschouwd en dat de gemeente Almere terecht de aanvraag voor bijstand doorstuurde naar Dronten. Dit beroep werd ongegrond verklaard.
Ten aanzien van de maatschappelijke opvang stelde de rechter vast dat maatschappelijke opvang geen individuele voorziening is waarop artikel 1a van het Besluit maatschappelijke ondersteuning van toepassing is. Verzoeker kon daarom niet op grond van dit artikel gelijkgesteld worden met een Nederlander.
De rechter achtte verzoeker echter een kwetsbaar persoon, gelet op medische rapportages die wezen op ernstige psychische en fysieke problemen. Omdat verzoeker sinds 26 november 2013 niet meer werd opgevangen door het COA en geen andere wettelijke voorziening bestond, moest de gemeente Almere op grond van de Wmo maatschappelijke opvang bieden. Het beroep werd gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd en de gemeente veroordeeld tot het vergoeden van griffierechten en proceskosten.