ECLI:NL:CRVB:2011:BU5133

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4484 ALGEM
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 sociale verzekeringswettenArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering schadevergoeding wegens ontbreken causaal verband met onrechtmatig besluit UWV

Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank die het bezwaar tegen het besluit van het UWV ongegrond verklaarde. Het UWV had in 2005 onterecht besloten dat appellant niet verzekerd was voor de jaren 1998 tot en met 2000. Dit besluit werd in 2007 herroepen en daarmee erkende het UWV de onrechtmatigheid.

Appellant vorderde vervolgens schadevergoeding wegens inkomensverlies, stellende dat hij opdrachten misliep door onzekerheid over de verzekeringsplicht. Het UWV wees dit verzoek af wegens het ontbreken van een causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de schade.

De Raad overwoog dat hoewel het UWV een onrechtmatige daad had begaan, de schadevergoeding alleen kan worden toegekend als de schade voldoende aannemelijk en causaal verbonden is met het onrechtmatige besluit. De Raad concludeerde dat appellant dit verband niet heeft aangetoond en bevestigde de eerdere uitspraak dat de schade niet voor vergoeding in aanmerking komt.

De Raad vond geen aanleiding om artikel 8:75 Awb Pro toe te passen en wees het beroep van appellant af.

Uitkomst: De Raad bevestigt dat het UWV geen schadevergoeding hoeft te betalen wegens ontbreken van causaal verband tussen het onrechtmatige besluit en de gevorderde schade.

Uitspraak

10/4484 ALGEM
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Hertogenbosch van 16 juni 2010, 09/837 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 4 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. E. Maalsen, advocaat te Cuijk, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Maalsen. Het Uwv heeft zich niet laten vertegenwoordigen.
II. OVERWEGINGEN
1. In het besluit van 11 februari 2005 heeft het Uwv aan [naam besloten vennootschap 1] B.V. meegedeeld dat over de jaren 1998 tot en met 2000 geen verzekeringsplicht wordt aangenomen voor de arbeidsverhouding tussen [naam besloten vennootschap 2] B.V. en appellant. Na diverse bezwaar- en beroepsprocedures heeft het Uwv appellant alsnog als verplicht verzekerd ingevolge artikel 3 van Pro de sociale verzekeringswetten aangemerkt en is het bezwaar - met herroeping van het besluit van 11 februari 2005 - op 13 juni 2007 gegrond verklaard.
2. Op 14 december 2007 is namens appellant een verzoek om vergoeding van schade gedaan, welk verzoek het Uwv bij besluit van 13 augustus 2008 heeft afgewezen.
3. Bij besluit van 2 februari 2009 (verder: het bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard, vanwege het ontbreken van een causaal verband tussen het - door het Uwv erkende - onrechtmatige besluit van 11 februari 2005 en de gevorderde schade.
4. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.
5. In hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak zijn de eerder geformuleerde gronden herhaald.
6.1. De Raad oordeelt als volgt.
6.2. Naar de Raad bij herhaling heeft uitgesproken dient voor de beantwoording van de vraag of en zo ja in welke omvang schade die een partij lijdt voor vergoeding in aanmerking komt, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het burgerrechtelijk schadevergoedingsrecht. De Raad overweegt dat met de herroeping van het besluit van 11 februari 2005 de onrechtmatigheid van dat besluit in rechte vaststaat. Daarmee heeft het Uwv een onrechtmatige daad begaan jegens appellant. Die onrechtmatige daad dient het Uwv te worden toegerekend en daarmee is de schadevergoedingsplicht van het Uwv in beginsel gegeven.
6.3. De Raad ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of de gestelde schade een gevolg is van het onrechtmatige primaire besluit.
6.4. De Raad overweegt dat, wil een verzoek om schadevergoeding kunnen worden gehonoreerd, genoegzaam aannemelijk zal moeten zijn dat de gestelde schade in zodanig verband staat met het onrechtmatige besluit dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kan worden toegerekend.
6.5. Appellant heeft zijn verzoek om schadevergoeding gegrond op de stelling dat hij als gevolg van de besluitvorming van het Uwv inkomensschade heeft geleden en zijn stelling aldus onderbouwd dat hij door onzekerheid over het standpunt van het Uwv inzake de verzekeringsplicht opdrachten van potentiële opdrachtgevers is misgelopen. Ook nadat het besluit van 11 februari 2005 was genomen stelt appellant inkomsten gederfd te hebben als gevolg van onzekerheid over de vraag of het Uwv het ingenomen standpunt, gelet op de aanhangig gemaakte bezwaar- en beroepsprocedures, zou handhaven.
6.6. De Raad overweegt dat, daargelaten de vraag of appellant zijn stelling omtrent de door hem geleden schade voldoende heeft onderbouwd, de gestelde schade niet voor vergoeding in aanmerking komt omdat het causale verband tussen de beweerdelijk geleden schade en het herroepen besluit ontbreekt. De Raad stelt zich achter hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak op dit punt onder 8 heeft overwogen en heeft daar niets aan toe te voegen.
6.7. De Raad komt dan ook tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
7. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en J.P.M. Zeijen en B. Barentsen als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 november 2011.
(get.) J.W. Schuttel.
(get.) I.J. Penning.