ECLI:NL:CRVB:2011:BU5242
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering bijstand wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting
De zaak betreft het hoger beroep van het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam tegen uitspraken van de rechtbank Rotterdam die het beroep van [A.] en [M.] tegen intrekking en terugvordering van bijstand gegrond verklaarden. Het geschil draait om de vraag of [M.] vanaf 1 december 2002 tot en met 31 december 2004 en daarna vanaf 1 januari 2005 hoofdverblijf had in de woning van [A.], en daarmee een gezamenlijke huishouding voerde.
De rechtbank oordeelde dat onvoldoende bewijs bestond voor hoofdverblijf van [M.] bij [A.] in de woning aan het adres. De Raad stelt dat voor de periode tot 1 januari 2005 onvoldoende concrete aanwijzingen zijn voor hoofdverblijf, maar vanaf 1 januari 2005 wel. Dit blijkt uit observaties, verklaringen van buurtbewoners en verhuurder, politiegegevens en waarnemingen van de auto van [M.] nabij de woning van [A.].
De Raad concludeert dat vanaf 1 januari 2005 sprake was van hoofdverblijf van [M.] bij [A.] en daarmee gezamenlijke huishouding. Omdat [A.] dit niet heeft gemeld, was de intrekking en terugvordering van bijstand terecht. De eerdere uitspraken worden vernietigd, de besluiten van 3 april 2008 worden vernietigd voor zover zij betrekking hebben op de periode tot 31 december 2004, en het College wordt opgedragen nieuwe besluiten te nemen. De appellant wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De Raad oordeelt dat vanaf 1 januari 2005 sprake was van hoofdverblijf van [M.] bij [A.] en vernietigt de besluiten voor de periode tot 31 december 2004, met opdracht tot nieuwe besluitvorming.