ECLI:NL:CRVB:2011:BU5534
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- C.P.J. Goorden
- B. Barentsen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen door werkgever
De zaak betreft het hoger beroep van een werkgever tegen een loonsanctie opgelegd door het UWV wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen van een zieke werkneemster. Het UWV had het recht op loon tijdens ziekte met 52 weken verlengd omdat de werkgever niet voldeed aan haar re-integratieverplichtingen.
De werkgever voerde aan dat na een tweede operatie sprake was van ernstige beperkingen en een onduidelijke prognose, waardoor re-integratie niet redelijk was. Ook stelde zij dat zij de adviezen van de bedrijfsarts had opgevolgd en dat de jurisprudentie betreffende werkgeversverantwoordelijkheid niet van toepassing was.
De Raad overwoog dat de verzekeringsarts, in tegenstelling tot de bedrijfsarts, vanaf zes tot acht weken na de operatie benutbare mogelijkheden zag bij de werkneemster. De Raad vond dat er strikt medisch gezien geen reden was om re-integratie uit te stellen en dat de werkgever een te afwachtend beleid voerde.
Gelet op deze benutbare mogelijkheden was het terecht dat het UWV de loonsanctie oplegde wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen. De Raad zag geen aanleiding om af te wijken van de bestaande jurisprudentie en bevestigde de eerdere uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De loonsanctie wegens onvoldoende re-integratie-inspanningen wordt bevestigd.