ECLI:NL:CRVB:2011:BU5877
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijstandsaanvraag wegens onjuiste woonsituatie en niet vast te stellen recht op bijstand
Appellant heeft bij het College van burgemeester en wethouders van Amsterdam een aanvraag om bijstand ingediend als alleenstaande, waarbij hij verklaarde te wonen op een specifiek adres. Het College wees de aanvraag af omdat appellant niet aannemelijk kon maken dat hij daadwerkelijk op dat adres woonde. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant tegen deze besluiten ongegrond.
De Centrale Raad van Beroep vernietigt de uitspraak van de rechtbank waar deze buiten de processtukken trad door te oordelen dat appellant niet duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. De Raad beoordeelt het beroep tegen het primaire besluit zelf en concludeert dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij op het opgegeven adres woonde. Dit wordt onderbouwd met huisbezoeken, verklaringen van buren en waarnemingen van handhavingsspecialisten.
Appellant voerde aan dat hij regelmatig bij zijn kinderen verbleef en in een berging sliep, maar dit kon niet worden aangetoond voor de relevante periode. De Raad bevestigt dat appellant onjuiste inlichtingen heeft verstrekt over zijn woonsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De beroepen worden daarom ongegrond verklaard en de eerdere besluiten blijven in stand.
Uitkomst: De bijstandsaanvragen van appellant worden afgewezen wegens onjuiste opgave van zijn woonsituatie, waardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.