ECLI:NL:CRVB:2011:BU6498
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- B.M. van Dun
- J. Riphagen
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door vermenging persoonlijke en zakelijke belangen
Appellante had een WW-uitkering aangevraagd die door het UWV werd geweigerd vanwege verwijtbare werkloosheid, veroorzaakt door het afsluiten van terugkoop- en beleningscontracten voor zichzelf met irreële waarderingen van beleende goederen. De rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond en oordeelde dat het UWV voldoende onderzoek had gedaan naar de dringende reden voor ontslag.
In hoger beroep betwistte appellante de zorgvuldigheid van het onderzoek en stelde dat zij niet wist dat haar handelen niet was toegestaan. De Centrale Raad van Beroep sloot zich aan bij de rechtbank en het UWV en oordeelde dat appellante persoonlijke en zakelijke belangen onaanvaardbaar had vermengd, wat niet getuigt van goed werknemerschap. De Raad liet in het midden of dit handelen onder het verbod in de arbeidsovereenkomst viel.
De Raad vond de gedragingen ernstig genoeg om het ontslag te rechtvaardigen, ook gelet op de leeftijd en het dienstverband van appellante. Het ontslag werd onmiddellijk na ontdekking van de gedragingen gegeven. De Raad bevestigde het bestreden besluit en wees het verzoek om schadevergoeding af.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid door ernstig verwijtbaar handelen van appellante.