ECLI:NL:CRVB:2011:BU6558
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens verwijtbare werkloosheid na vaststellingsovereenkomst
Appellante was sinds 1996 in dienst bij haar werkgever en meldde zich in 2007 ziek vanwege werkgerelateerde spanningsklachten. Na een WIA-aanvraag in 2009 werd vastgesteld dat de werkgever zijn re-integratieverplichtingen niet was nagekomen, waardoor de loondoorbetalingsperiode werd verlengd tot 10 mei 2010. Op initiatief van de werkgever werd de arbeidsovereenkomst per 1 oktober 2009 beëindigd via een vaststellingsovereenkomst, waarbij appellante een beëindigingsvergoeding ontving.
Appellante vroeg vervolgens een WW-uitkering aan met ingang van 1 oktober 2009. Het UWV kende haar deze toe vanaf 5 oktober 2009, maar stelde de uitbetaling uit tot 10 mei 2010 wegens verwijtbare werkloosheid, omdat zij tijdens de loonsanctieperiode had kunnen doorwerken. De rechtbank verklaarde het bezwaar van appellante ongegrond en oordeelde dat zij een benadelingshandeling had gepleegd door zonder medische noodzaak akkoord te gaan met de beëindiging.
In hoger beroep voerde appellante aan dat zij geen andere keus had vanwege haar psychische gesteldheid en dat het UWV haar onvoldoende had geïnformeerd. De Raad verwierp deze argumenten, stellende dat de medische verklaring niet onderbouwt dat voortzetting van het dienstverband onredelijk was en dat appellante zich tot het UWV had kunnen wenden voor informatie over de gevolgen van de vaststellingsovereenkomst. De Raad bevestigde de weigering van de WW-uitkering tot 10 mei 2010 en wees een proceskostenveroordeling af.
Uitkomst: De Raad bevestigt de weigering van de WW-uitkering tot 10 mei 2010 wegens verwijtbare werkloosheid door voortijdige beëindiging van het dienstverband.