ECLI:NL:CRVB:2011:BU6762
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens onvaststelbaarheid gezamenlijke huishouding en inkomsten partner
Appellante ontving bijstand vanaf april 2004 en woonde met haar partner [M.D.] met wie zij een kind had. Het College van burgemeester en wethouders van Wageningen trok de bijstand in en vorderde terugbetaling omdat appellante geen melding had gedaan van haar gezamenlijke huishouding met [M.D.], waardoor het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
Na een eerdere vernietiging door de rechtbank Arnhem en een nieuw besluit op bezwaar bleef het geschil bestaan over de periode van 3 juli 2004 tot 13 maart 2007. De rechtbank oordeelde dat de verklaringen van [M.D.] onvoldoende bewijs boden en dat het College onvoldoende had gemotiveerd waarom het recht op bijstand niet kon worden vastgesteld.
De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat het feitelijk hoofdverblijf van appellante en [M.D.] in dezelfde woning stond vast en dat het ontbreken van een zelfstandig onderzoek naar de inkomsten van [M.D.] het recht op bijstand onvaststelbaar maakt. Het hoger beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit van 28 juli 2009 bevestigd.
De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en benadrukt dat het niet relevant is of [M.D.] duurzaam gescheiden leefde van zijn echtgenote. De intrekking en terugvordering van bijstand blijven gehandhaafd voor de genoemde periode.
Uitkomst: Het beroep van appellante wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand bevestigd.