Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:CRVB:2011:BU7222

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/1450 ZW + 10/3053 ZW + 10/5144 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging van het vervallen recht op Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor alternatieve functies

Appellant heeft zich meerdere malen ziek gemeld vanuit een situatie waarin hij een WW-uitkering ontving, wegens lichamelijke klachten zoals jicht. Het UWV heeft bij drie besluiten vastgesteld dat appellant vanaf bepaalde data niet meer in aanmerking komt voor een Ziektewetuitkering, omdat hij geschikt wordt geacht voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd in het kader van de Wet WIA.

Appellant maakte bezwaar tegen deze besluiten, maar het UWV verklaarde deze bezwaren ongegrond. De rechtbank bevestigde deze besluiten en oordeelde dat de medische onderzoeken zorgvuldig waren en dat appellant terecht als geschikt werd beschouwd voor de betreffende functies. In hoger beroep herhaalde appellant zijn standpunt dat hij door zijn klachten niet in staat is tot werken, maar bracht geen nieuwe medische gegevens in.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en concludeert dat appellant niet ongeschikt is voor arbeid in de zin van de Ziektewet, aangezien hij geschikt is voor ten minste één van de functies die bij de Wet WIA zijn geselecteerd. De hoger beroepen worden verworpen en de aangevallen uitspraken bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht meer heeft op een Ziektewetuitkering omdat hij geschikt is voor ten minste één van de geselecteerde functies.

Uitspraak

10/1450 ZW, 10/3053 ZW en 10/5144 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op de hoger beroepen van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (appellant),
tegen de uitspraken van de rechtbank ’s-Gravenhage van 10 februari 2010, 09/4775, van 12 mei 2010, 09/6717 en van 8 september 2010, 10/2674,
in de gedingen tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 7 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M.P. de Witte, advocaat, in alle zaken hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft in alle zaken een verweerschrift ingediend.
De zaken zijn gevoegd behandeld ter zitting op 16 november 2011. Appellant en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. Namens het Uwv is verschenen drs. J.C. van Beek.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant heeft zich op 24 februari 2009, vanuit de situatie dat hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ontving, ziek gemeld wegens jichtklachten. Bij besluit van 9 april 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 16 april 2009 niet meer in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW), omdat hij in staat wordt geacht één of meer van de functies te vervullen die aan de einde wachttijdbeoordeling op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) per 21 juni 2006 ten grondslag zijn gelegd.
1.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 2 juli 2009 (bestreden besluit 1) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 9 april 2009 gehandhaafd.
2.1. Op 24 april 2009 heeft appellant zich opnieuw vanuit een situatie dat hij een WW-uitkering ontving ziek gemeld wegens toegenomen lichamelijke klachten. Bij besluit van 19 augustus 2009 heeft het Uwv appellant met ingang van 26 augustus 2009 niet meer in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering op de grond dat appellant vanaf die datum weer geschikt is voor de in aanmerking te nemen arbeid.
2.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 september 2009 (bestreden besluit 2) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 19 augustus 2009 gehandhaafd.
3.1. Op 8 januari 2010 heeft appellant zich wederom vanuit een situatie dat hij een WW-uitkering ontving ziek gemeld wegens toegenomen lichamelijke klachten. Bij besluit van 5 maart 2010 heeft het Uwv appellant met ingang van 8 maart 2010 niet meer in aanmerking gebracht voor een ZW-uitkering op de grond dat appellant vanaf die datum weer geschikt is voor de in aanmerking te nemen arbeid.
3.2. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Bij besluit van 8 april 2010 (bestreden besluit 3) heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 5 maart 2010 gehandhaafd.
4. Bij de aangevallen uitspraken heeft de rechtbank de beroepen van appellant tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard. De overwegingen van de rechtbank in deze uitspraken komen in essentie hierop neer dat de medische onderzoeken door de betrokken (bezwaar)verzekeringsartsen zorgvuldig zijn geweest en dat afdoende is gemotiveerd waarom nader onderzoek achterwege kon blijven. Volgens de rechtbank heeft het Uwv appellant terecht met ingang van de data in geding in staat geacht tot het vervullen van ten minste één van de per 21 juni 2006 in het kader van de Wet WIA geselecteerde functies.
5. In hoger beroep zijn namens appellant de in beroep aangevoerde gronden herhaald. Deze komen er voor alle zaken op neer dat het Uwv de belastbaarheid van appellant heeft overschat. Appellant acht zich vanwege zijn klachten niet in staat tot het verrichten van werkzaamheden en is daarom ten onrechte hersteld verklaard.
6. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
6.1. Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid, als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken, recht op ziekengeld. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad wordt onder ‘zijn arbeid’ in voormelde zin verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Deze regel lijdt in zoverre uitzondering dat, wanneer de verzekerde na het volbrengen van de voorgeschreven wachttijd blijvend ongeschikt is voor zijn oude werk en niet in enig werk heeft hervat, als maatstaf geldt arbeid, zoals die nader is geconcretiseerd bij de beoordeling van zijn aanspraak op een uitkering op grond van de Wet WIA. Van ongeschiktheid in de zin van de ZW is geen sprake indien de verzekerde geschikt is voor ten minste één van de functies die zijn geselecteerd bij de schatting in het kader van de Wet WIA. In het onderhavige geval betreft dit de functies productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), inpakker (sbc-code 111190) en magazijn-/expeditiemedewerker (sbc-code 111220).
6.2. Appellant heeft in hoger beroep alleen gronden aangevoerd die ook reeds in beroep zijn aangevoerd en die door de rechtbank gemotiveerd zijn verworpen. Appellant heeft niet toegelicht waarom het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraken onjuist zou zijn en heeft ter onderbouwing van zijn herhaalde standpunt ook in hoger beroep geen medische gegevens ingebracht. De Raad onderschrijft het in 4.2 samengevatte oordeel van de rechtbank en de overwegingen die daartoe hebben geleid. Hij ziet net als de rechtbank geen aanleiding voor het benoemen van een onafhankelijke deskundige zoals door appellant is verzocht.
6.3. Uit de overwegingen 6.1 en 6.2 volgt dat de hoger beroepen niet slagen. De aangevallen uitspraken komen voor bevestiging in aanmerking.
7. De Raad ziet in geen van de zaken aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraken.
Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van Z. Karekezi als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011.
(get.) G.A.J. van den Hurk.
(get.) Z. Karekezi.
JL