ECLI:NL:CRVB:2011:BU7332
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.J.A. Kooijman
- J.F. Bandringa
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Beoordeling bijstandsrecht en terugwerkende kracht bij verblijfsvergunning
Appellant heeft bij de Centrale Raad van Beroep hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem waarin het beroep tegen het besluit van het College van burgemeester en wethouders van Nijmegen om geen bijstand te verlenen voorafgaand aan 16 juni 2005 ongegrond werd verklaard.
De kern van het geschil betreft de vraag of appellant in de periode van 12 augustus 2004 tot 16 juni 2005 bijstandbehoevend was. Appellant stelde dat hij in die periode gelden van derden moest lenen om in zijn noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien. Het College stelde dat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij niet zelf in zijn kosten kon voorzien, mede gelet op kasstortingen op zijn bankrekening, inkomsten uit onderhuur en werkzaamheden.
De Raad oordeelt dat het aan appellant is om aannemelijk te maken dat hij niet in zijn kosten kon voorzien en dat hij een concrete terugbetalingsverplichting had jegens derden. Appellant heeft geen afdoende, consistente verklaring gegeven over de herkomst van de kasstortingen en de verklaringen van derden zijn onvoldoende concreet en achteraf opgesteld. De Raad volgt het standpunt van het College en de rechtbank dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bijstand behoefde in de periode in geding.
Daarmee is er geen grond om bijstand met terugwerkende kracht toe te kennen en wordt de aangevallen uitspraak bevestigd. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd dat appellant geen bijstand met terugwerkende kracht toekomt.