ECLI:NL:CRVB:2011:BQ8031
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- E.J.M. Heijs
- W.F. Claessens
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand met terugwerkende kracht voor vreemdeling zonder verblijfsrecht
Appellant, afkomstig uit Armenië, kreeg op 5 oktober 2007 een verblijfsvergunning met terugwerkende kracht tot 15 juni 2007. Hij meldde zich toen direct voor bijstand en vroeg deze aan met ingang van die datum. Het College kende bijstand toe vanaf 5 oktober 2007, maar weigerde bijstand met terugwerkende kracht vanaf 15 juni 2007. De Adviescommissie en rechtbank verklaarden het bezwaar en beroep ongegrond, omdat appellant zich niet eerder had gemeld en geen bijzondere omstandigheden aannemelijk had gemaakt.
De Centrale Raad overweegt dat een vreemdeling die nog niet tot de kring van rechthebbenden behoort zich niet kan melden voor bijstand en dat dit ook niet van hem kan worden verlangd. Pas na verkrijging van de verblijfsvergunning ontstaat het recht op bijstand met terugwerkende kracht. Bij bijzondere omstandigheden kan hiervan worden afgeweken, bijvoorbeeld als de vreemdeling aannemelijk maakt dat hij in de periode voorafgaand aan de aanvraag niet in de noodzakelijke kosten van bestaan kon voorzien en derden feitelijk in die kosten hebben voorzien met een reële schuld.
Appellant heeft echter niet aannemelijk gemaakt dat hij in de periode van 15 juni tot 5 oktober 2007 niet beschikte over middelen om in de noodzakelijke kosten te voorzien. Hij leefde van schenkingen en had geen schulden of terugbetalingsverplichtingen. Daarom is het beroep ongegrond en wordt de ingangsdatum van de bijstand vastgesteld op 5 oktober 2007.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de ingangsdatum van bijstand blijft 5 oktober 2007.