ECLI:NL:CRVB:2011:BU8149
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens onjuiste woonsituatie
Appellant ontving bijstand van maart 1999 tot april 2007 en gaf een woonadres op waar hij volgens het College niet daadwerkelijk verbleef. Na een fraudemelding startte het College een onderzoek waarbij getuigen, de vriendin en ex-vrouw van appellant werden gehoord. Uit verklaringen bleek dat appellant voornamelijk verbleef bij zijn vriendin en ex-vrouw, en het opgegeven adres slechts als postadres gebruikte.
Het College trok de bijstand over de periode in geding in en vorderde de kosten terug wegens het schenden van de inlichtingenverplichting. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het herzieningsbesluit ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat hij geen onjuiste opgave had gedaan over zijn woonsituatie.
De Raad oordeelde dat het College voldoende aannemelijk had gemaakt dat appellant niet op het opgegeven adres verbleef, mede door verklaringen van getuigen en betrokkenen. Het feit dat appellant zijn administratie in zijn auto bewaart en het opgegeven adres als postadres gebruikt, bevestigt dit. De Raad kende minder waarde toe aan verklaringen van kennissen die appellant als bewoner zagen.
De Raad bevestigde het besluit van de rechtbank en zag geen reden voor proceskostenveroordeling. De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 13 december 2011.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit tot intrekking en terugvordering van bijstand wordt bevestigd.