ECLI:NL:CRVB:2011:BU8229
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing WIA-uitkering wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en beëindiging ziekengeld
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen twee uitspraken van de rechtbank ’s-Hertogenbosch waarin zijn beroep tegen besluiten van het UWV werd afgewezen. Het eerste besluit betrof de ontzegging van een WIA-uitkering per 14 juli 2008 wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%. Het tweede besluit betrof het beëindigen van het recht op ziekengeld per 21 september 2009, omdat appellant niet langer ongeschikt werd geacht voor zijn arbeid.
De rechtbank oordeelde dat de medische beperkingen van appellant niet waren onderschat en dat op basis van een functionele mogelijkhedenlijst en medische rapporten voldoende was vastgesteld dat appellant passende functies kon vervullen met een verlies aan verdiencapaciteit van minder dan 35%. Ook werd geoordeeld dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek zorgvuldig was uitgevoerd en dat de klachten van appellant onvoldoende aanleiding boden om het standpunt van het UWV te betwijfelen.
In hoger beroep heeft appellant een rapport van een psychotherapeut overgelegd en verzocht een deskundige in te schakelen. De Raad achtte dit rapport niet doorslaggevend omdat het een momentopname van medio 2011 betrof en geen inzicht gaf in de situatie op de relevante data. De Raad sloot zich aan bij de overwegingen van de rechtbank en concludeerde dat appellant niet meer beperkt was dan eerder vastgesteld. De Raad bevestigde daarom de aangevallen uitspraken en zag geen aanleiding tot proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen WIA-uitkering ontvangt wegens minder dan 35% arbeidsongeschiktheid en dat het recht op ziekengeld is beëindigd.