ECLI:NL:CRVB:2011:BU8230
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging weigering WW-uitkering wegens niet voldoen aan referte-eis en ontbreken betalingsonmacht
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen twee besluiten van het UWV waarin hem een WW-uitkering werd geweigerd. Het eerste besluit betrof de vraag of appellant voldeed aan de referte-eis van artikel 17 WW Pro, die vereist dat hij in ten minste 26 van de 36 weken voorafgaand aan werkloosheid als werknemer arbeid heeft verricht. De rechtbank oordeelde dat appellant slechts over de periode van 1 januari tot 1 april 2008 als werknemer kon worden aangemerkt, waarmee hij niet aan de referte-eis voldeed.
Appellant stelde in hoger beroep dat hij over een langere periode loon had ontvangen en dus als werknemer moest worden beschouwd. Het gerechtshof Amsterdam had echter eerder geoordeeld dat er geen onvoorwaardelijke arbeidsovereenkomst was gesloten buiten de genoemde periode. Appellant legde zich neer bij dit oordeel, waardoor de Raad bevestigde dat hij niet aan artikel 17 WW Pro voldoet.
Het tweede besluit betrof de weigering van een WW-uitkering wegens vermeende betalingsonmacht van de (ex-)werkgever. Appellant kon niet aannemelijk maken dat de werkgever in betalingsonmacht verkeerde; hij stelde slechts dat er sprake was van betalingsonwil. De Raad volgde het UWV in de conclusie dat geen sprake was van betalingsonmacht.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom beide aangevallen uitspraken en wees tevens de verzoeken tot schadevergoeding af. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer op 14 december 2011.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WW-uitkering en wijst de verzoeken tot schadevergoeding af.