ECLI:NL:CRVB:2011:BU8326
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Herziening en intrekking bijstandsuitkering wegens verzwegen huurinkomsten en banktegoeden
Appellanten ontvingen sinds 1998 bijstand op grond van de WWB. Na een vermoeden van niet opgegeven bankrekeningen met huurinkomsten, onderzocht de Dienst Werk en Inkomen (DWI) de rechtmatigheid van de bijstand. Uit het onderzoek bleek dat appellanten meerdere bankrekeningen hadden waarop huurinkomsten werden gestort, die niet aan DWI waren gemeld.
Het College trok de bijstand in en vorderde kosten terug over verschillende perioden. De rechtbank verklaarde het beroep tegen het besluit deels gegrond, maar oordeelde dat de huurinkomsten over de periode 1998-2000 niet konden worden vastgesteld. Appellanten stelden in hoger beroep dat de huurinkomsten wel konden worden vastgesteld en dat het vermogen op de bankrekeningen toebehoorde aan de vader van appellant.
De Raad oordeelde dat het saldo op de bankrekeningen en de huurinkomsten terecht aan appellanten werden toegerekend, omdat zij niet aannemelijk hadden gemaakt dat het vermogen niet tot hun beschikking stond. De Raad vernietigde de eerdere uitspraak en herroept het besluit van het College voor de periode 1998-2000, waarbij de bijstand moet worden herzien volgens de berekeningen van het College. De intrekking van de bijstand over de periode vanaf 2002 blijft in stand. Het College wordt veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard, het besluit tot intrekking en terugvordering wordt deels vernietigd en de bijstand wordt over bepaalde perioden herzien.