ECLI:NL:CRVB:2011:BU8328
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met zus
Appellant vroeg op 3 november 2008 bijstand aan als alleenstaande, maar het College weigerde dit omdat hij met zijn zus een gezamenlijke huishouding voert. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. Appellant stelde in hoger beroep dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, maar van een commerciële huurdersrelatie.
De Raad beoordeelde de situatie over de periode van 3 november tot 27 november 2008 en stelde vast dat appellant en zijn zus hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, wat het eerste criterium voor een gezamenlijke huishouding vervult. Vervolgens oordeelde de Raad dat het criterium van wederzijdse zorg ook was voldaan, gelet op de verklaringen van appellant over de huurbetalingen, het gebruik van faciliteiten, gezamenlijke boodschappen en het verrichten van hand- en spandiensten.
Hoewel appellant stelde dat hij een commerciële relatie had en geen huur betaalde, concludeerde de Raad dat de financiële verstrengeling en de overige omstandigheden een zakelijke relatie overstijgen. De subjectieve gevoelens en motieven van appellant en zijn zus zijn voor de beoordeling irrelevant. Het hoger beroep werd daarom afgewezen en de eerdere uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de afwijzing van de bijstandsuitkering bevestigd wegens gezamenlijke huishouding met wederzijdse zorg.