ECLI:NL:CRVB:2011:BU9155

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-5318 AW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:5 AwbArt. 6:6 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Onbevoegdverklaring hoger beroep wegens niet tijdig indienen beroepsgronden

Appellant stelde beroep in tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam, maar diende niet binnen de gestelde termijn de gronden van het beroep in. De rechtbank verklaarde het beroep kennelijk niet-ontvankelijk en wees het verzet ongegrond.

Appellant voerde in hoger beroep aan dat het aanvullend beroepschrift wel degelijk een beroepsgrond bevatte en dat hij vanwege psychische decompensatie door ernstige ziekte van zijn echtgenote niet in staat was tijdig gronden in te dienen. De Raad stelde vast dat deze stellingen reeds bij de rechtbank waren ingebracht en meegewogen.

De Raad oordeelde dat de rechtbank de artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en 6:6 van de Awb correct had toegepast en dat er geen sprake was van een evidente schending van een goede procesorde of fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen. Daarom werd het appelverbod niet doorbroken.

De Centrale Raad van Beroep verklaarde zich onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen en wees een proceskostenveroordeling af. De uitspraak werd gedaan door M.C. Bruning op 15 december 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep verklaart zich onbevoegd kennis te nemen van het hoger beroep wegens niet tijdig indienen van beroepsgronden.

Uitspraak

11/5318 AW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats], (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 september 2011, 11/722 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Lansingerland (hierna: college)
Datum uitspraak: 15 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld tegen de aangevallen uitspraak.
II. OVERWEGINGEN
1.1 Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank beslist op het verzet van appellant tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb). De aangevallen uitspraak is daarom een uitspraak als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb.
1.2. In artikel 18, tweede lid, aanhef en onder c, van de Beroepswet is bepaald dat tegen een uitspraak van de rechtbank als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Awb geen hoger beroep kan worden ingesteld.
1.3. Volgens vaste rechtspraak van de Raad kan voor doorbreking van een wettelijk appelverbod (alleen dan) aanleiding zijn, als sprake is geweest van een evidente schending van beginselen van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen die een eerlijk proces waarborgen.
2.1. De Raad stelt vast dat de rechtbank bij de uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Awb het door appellant ingestelde beroep kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, omdat appellant niet binnen de gestelde termijn de gronden van het beroep heeft ingediend. Het verzet tegen deze uitspraak is bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.
2.2. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat zijn aanvullend beroepschrift van 11 maart 2011 geen (deugdelijke) beroepsgrond bevat en dat hij bovendien vanwege psychische decompensatie in verband met ernstige ziekte van zijn echtgenote niet in staat was om binnen de gestelde termijn (nadere) gronden in te dienen. Volgens appellant heeft de rechtbank daarom een onjuiste toepassing gegeven aan de artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en 6:6 van de Awb en is er aanleiding voor doorbreking van het appelverbod.
2.3. De Raad volgt appellant hierin niet. Daarbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant zijn stelling dat het aanvullend beroepschrift wel een grond bevat en de gestelde psychische decompensatie ook bij de rechtbank naar voren heeft gebracht en dat de rechtbank een en ander heeft meegewogen. Het is de Raad niet gebleken dat de door de rechtbank gegeven toepassing aan de artikelen 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, en 6:6 van de Awb een zodanige schending oplevert van een goede procesorde dan wel van fundamentele rechtsbeginselen dat doorbreking van het appelverbod gerechtvaardigd is.
3. De Raad acht zich dan ook kennelijk onbevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist zoals hierna in rubriek III is aangegeven.
4. Voor een proceskostenveroordeling met toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart zich onbevoegd van het hoger beroep kennis te nemen.
Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning, in tegenwoordigheid van P.W.J. Hospel als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.
(get.) M.C. Bruning.
(get.) P.W.J. Hospel.
Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na de verzending van het afschrift van deze uitspraak schriftelijk verzet doen bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA UTRECHT. De indiener van het verzetschrift kan daarbij vragen in de gelegenheid te worden gesteld over het verzet te worden gehoord.
IJ