ECLI:NL:CRVB:2024:1908
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek tot herziening onvoorwaardelijk ontslag wegens plichtsverzuim
Appellant verzocht het college van burgemeester en wethouders van Lansingerland om terug te komen op het onvoorwaardelijke ontslagbesluit van 7 oktober 2010 wegens ernstig plichtsverzuim. Dit verzoek werd afgewezen omdat appellant geen nieuwe feiten of veranderde omstandigheden had aangevoerd die een herziening rechtvaardigen.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond en handhaafde het besluit. Appellant stelde in hoger beroep dat het ontslag berust op onjuiste veronderstellingen en dat de gevolgen van het ontslag nog steeds zwaar op hem drukken. Hij voerde aan dat het college zich niet op formele rechtskracht had mogen beroepen.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat het college terecht artikel 4:6, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) heeft toegepast. De Raad stelde vast dat de aangevoerde argumenten geen nieuwe feiten of omstandigheden vormden. Ook was het oorspronkelijke ontslagbesluit uitgebreid gemotiveerd en niet onmiskenbaar onjuist. De Raad bevestigde daarom het bestreden besluit en liet het ontslagbesluit in stand. Appellant kreeg geen vergoeding voor proceskosten of griffierecht.
Uitkomst: Het verzoek om terug te komen op het onvoorwaardelijke ontslagbesluit wordt afgewezen en het ontslagbesluit blijft in stand.