ECLI:NL:CRVB:2011:BU9194
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening+bodemzaak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand vreemdeling op grond van WWB artikel 16 lid 2
Verzoekster, een meerderjarige vreemdelinge van Chinese nationaliteit, diende op 2 december 2009 een verblijfsvergunningverzoek in en vroeg op 4 februari 2010 bijstand aan op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Rotterdam wees de aanvraag op 5 maart 2010 af en verklaarde het bezwaar ongegrond op 15 september 2010, stellende dat verzoekster niet met een Nederlander gelijkgesteld kon worden en artikel 16, tweede lid, van de WWB op haar van toepassing was.
De rechtbank Rotterdam verklaarde het beroep van verzoekster tegen deze besluiten ongegrond. Verzoekster stelde in hoger beroep dat zij op grond van zeer dringende redenen toch aanspraak kon maken op bijstand, verwijzend naar een eerdere uitspraak van de Raad uit 2006. De voorzieningenrechter oordeelde echter dat deze uitspraak alleen betrekking had op minderjarige vreemdelingen en dat de wetgever met ingang van 1 januari 2007 de systematiek voor minderjarigen had aangepast.
Verder stelde de voorzieningenrechter dat de hardheidsclausule van artikel 16, eerste lid, van de WWB niet van toepassing is op vreemdelingen die onder artikel 16, tweede lid, vallen. Ook het argument dat verzoekster als kwetsbare persoon bijzondere bescherming geniet op grond van artikel 8 EVRM Pro werd niet gevolgd, gelet op een recente uitspraak van de Raad. De voorzieningenrechter bevestigde daarmee het besluit van de rechtbank en wees het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de afwijzing van de bijstandsaanvraag wordt bevestigd.