ECLI:NL:CRVB:2011:BU9890

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
28 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-980 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:2 AwbArt. 7:9 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 AwbWet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering na bezwaar en beroep

Appellant, werkzaam als toezichthouder/docent, viel in september 2001 uit wegens spannings- en lichamelijke klachten en ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering. Op 1 augustus 2008 meldde hij zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Een verzekeringsarts concludeerde op 22 september 2008 dat er geen duidelijke toename van beperkingen was en beëindigde de Ziektewetuitkering.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna een bezwaarverzekeringsarts hem onderzocht en ook informatie van zijn neuroloog en psychiater betrok. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellant alsnog gelegenheid had gekregen zijn standpunt toe te lichten.

In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank onjuist handelde door het UWV alsnog een hoorzitting te laten houden en dat belangrijke medische informatie niet aan hem was voorgelegd. De Raad oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen om zijn zaak te presenteren en dat de medische informatie hem bekend mocht worden verondersteld. Ook vond de Raad geen reden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een Ziektewetuitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

11/980 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 30 december 2010, 09/101 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 28 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.C.R. Molenaar, advocaat te Amstelveen, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 november 2011. Appellant is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant was werkzaam als toezichthouder/docent. In september 2001 is hij voor dat werk uitgevallen wegens spanningsklachten en diverse lichamelijke klachten. Op grond daarvan is hem per einde wachttijd een uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, laatstelijk berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45 tot 55%. Vanuit de situatie dat hij een (gedeeltelijke) uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, heeft appellant zich op 1 augustus 2008 ziek gemeld met lichamelijke en psychische klachten.
1.2. Op 22 september 2008 heeft appellant het spreekuur bezocht van een verzekeringsarts. Deze is tot de conclusie gekomen dat geen sprake is van een evidente toename van klachten en beperkingen ten opzichte van de laatste WAO-beoordeling. Op die grond is appellant in staat om de hem ten tijde van die WAO-beoordeling voorgehouden functies te verrichten. Bij besluit van 22 september 2008 is appellant meegedeeld dat hij met ingang van diezelfde datum geen recht meer heeft op een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).
1.3. Appellant heeft tegen het besluit van 22 september 2008 bezwaar gemaakt. Naar aanleiding hiervan is hij op 12 december 2008 gezien door een bezwaarverzekeringsarts, die naast dossieronderzoek en eigen onderzoek van appellant tevens inlichtingen van de behandelende neuroloog en psychiater bij haar onderzoek heeft betrokken. Op grond van haar bevindingen zag de bezwaarverzekeringsarts geen reden om af te wijken van het standpunt van de primaire verzekeringsarts. Bij besluit van 19 december 2008 (bestreden besluit) is het bezwaar ongegrond verklaard.
2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard en dit besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank vastgesteld dat het Uwv in de door hem gevolgde bezwaarschriftprocedure de wettelijke bepaling inzake de hoorplicht, zoals geformuleerd in artikel 7:2 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb), heeft geschonden aangezien appellant slechts is uitgenodigd voor een medisch onderzoek en niet voor een hoorzitting. Omdat appellant op 9 april 2009 in de gelegenheid is gesteld om alsnog ten overstaan van het Uwv zijn visie te geven op de medische en juridische kant van de zaak, heeft de rechtbank aanleiding gezien om de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand te laten. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat appellant geen gronden heeft aangevoerd die maken dat het bestreden besluit zou moeten worden herzien.
3. In hoger beroep heeft appellant - samengevat - het standpunt ingenomen dat de rechtbank ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit in stand heeft gelaten en het Uwv ten onrechte niet is veroordeeld in de kosten van de bezwaarschriftprocedure.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. In hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd ziet de Raad geen grond voor het oordeel dat de rechtbank geen gebruik had mogen maken van de in artikel 8:72, derde lid, van de Awb neergelegde bevoegdheid. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank dat appellant met het medisch spreekuur van de bezwaarverzekeringsarts, de alsnog gehouden hoorzitting en de mondelinge behandelingen ter zitting van de rechtbank van 25 juni 2010 en 8 november 2010 voldoende gelegenheid heeft gekregen om de inhoudelijke kant van zijn zaak voor het voetlicht te brengen. Het standpunt van appellant dat de rechtbank het Uwv geen gelegenheid had mogen geven om alsnog een hoorzitting te houden en de zaak had moeten terugwijzen, vindt geen steun in de wet en is overigens door appellant niet nader onderbouwd.
4.2. Ook het standpunt van appellant dat het Uwv ten onrechte de in de bezwaarschriftprocedure ontvangen brieven van 4 november 2008 en 5 december 2008 van de neuroloog en psychiater niet aan appellant heeft voorgelegd, treft geen doel. Naar het oordeel van de Raad is van strijd met artikel 7:9 van Pro de Awb geen sprake, aangezien van inlichtingen van de behandelend sector mag worden aangenomen dat deze feiten en omstandigheden bevatten die appellant bekend zijn. Als zodanig behoeven dergelijke inlichtingen, die zijn verkregen in het kader van het nemen van de beslissing op bezwaar, niet te worden meegedeeld. Overigens heeft appellant ook niet gesteld dat de hier bedoelde door de neuroloog en psychiater gegeven informatie hem niet bekend was.
4.3. Met betrekking tot het standpunt van appellant dat de rechtbank ten onrechte geen veroordeling van vergoeding van de kosten in bezwaar heeft gegeven, onderschrijft de Raad het oordeel van de rechtbank dat in casu geen sprake is van een herroeping van het besluit van 22 september 2008 vanwege een aan het Uwv te wijten onrechtmatigheid.
5. Uit hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, volgt dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd.
6. De Raad acht geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Awb.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, als voorzitter, en H.G. Rottier en J.J.T. van den Corput in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 28 december 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) N.S.A. El Hana.
IvR