ECLI:NL:CRVB:2011:BU9890
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- H.G. Rottier
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing Ziektewetuitkering na bezwaar en beroep
Appellant, werkzaam als toezichthouder/docent, viel in september 2001 uit wegens spannings- en lichamelijke klachten en ontving een gedeeltelijke WAO-uitkering. Op 1 augustus 2008 meldde hij zich ziek met lichamelijke en psychische klachten. Een verzekeringsarts concludeerde op 22 september 2008 dat er geen duidelijke toename van beperkingen was en beëindigde de Ziektewetuitkering.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, waarna een bezwaarverzekeringsarts hem onderzocht en ook informatie van zijn neuroloog en psychiater betrok. Het bezwaar werd ongegrond verklaard. De rechtbank vernietigde dit besluit vanwege schending van de hoorplicht, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat appellant alsnog gelegenheid had gekregen zijn standpunt toe te lichten.
In hoger beroep betoogde appellant dat de rechtbank onjuist handelde door het UWV alsnog een hoorzitting te laten houden en dat belangrijke medische informatie niet aan hem was voorgelegd. De Raad oordeelde dat appellant voldoende gelegenheid had gekregen om zijn zaak te presenteren en dat de medische informatie hem bekend mocht worden verondersteld. Ook vond de Raad geen reden voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak van de rechtbank werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellant geen recht heeft op een Ziektewetuitkering en verklaart het hoger beroep ongegrond.