ECLI:NL:CRVB:2011:BU9932
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving bijstand op grond van de WWB, aanvankelijk naar de norm voor gehuwden en later als alleenstaande ouder met toeslag. Het College stelde na onderzoek door de Sociale Recherche vast dat appellante en haar partner gedurende de periode van 4 december 2006 tot en met 28 februari 2009 een gezamenlijke huishouding voerden, terwijl dit niet was gemeld.
De Sociale Recherche voerde een uitgebreid onderzoek uit, waaronder verhoren van appellante, haar partner en buurtbewoners, dossieronderzoek en buurtonderzoek. Op basis hiervan concludeerde het College dat appellante en haar partner hun hoofdverblijf hadden op hetzelfde adres, wat werd ondersteund door verklaringen van buurtbewoners en eerdere verklaringen van de partner.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat de latere verklaring van haar partner van 21 maart 2011 en haar eigen verklaring aantoonden dat er geen gezamenlijke huishouding was. De Raad hechtte echter doorslaggevende waarde aan de eerdere verklaringen van de partner, die uitgebreid en consistent waren en ondersteund werden door getuigenverklaringen.
De Raad oordeelde dat appellante de inlichtingenplicht had geschonden door het niet melden van de gezamenlijke huishouding, waardoor het College bevoegd was de bijstand in te trekken en terug te vorderen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering bevestigd.