ECLI:NL:CRVB:2011:BV0110
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep inzake gezamenlijke huishouding en terugvordering bijstandsuitkering
Appellante voerde in hoger beroep aan dat zij geen gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met haar ex-partner gedurende de relevante periode. De rechtbank had eerder geoordeeld dat sprake was van een gezamenlijke huishouding vanaf 11 april 2006, maar de Raad stelt vast dat onvoldoende feitelijke grondslag bestaat om dit aan te nemen.
Het onderzoek omvatte verklaringen van appellante, haar ex-partner en buurtbewoners, waaruit bleek dat de ex-partner weliswaar regelmatig overdag en soms ’s avonds aanwezig was, maar vrijwel nooit overnachtte op het adres van appellante. De Raad oordeelt dat het hoofdverblijf van de ex-partner op een ander adres lag, waardoor geen gezamenlijke huishouding bestond.
De Raad vernietigt het besluit van het College tot terugvordering van de bijstand, herroept het eerdere besluit en veroordeelt het College in de proceskosten van appellante. Tevens wordt het betaalde griffierecht aan appellante vergoed.
Uitkomst: Het besluit tot terugvordering van bijstand wordt vernietigd wegens onvoldoende bewijs van gezamenlijke huishouding.