ECLI:NL:CRVB:2011:BV8921

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
24 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-372 WWB-W
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Wraking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek om wraking van rechters in bestuursrechtelijke zaak

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Breda en tijdens de zitting verzocht om wraking van de behandelende rechters. Hij stelde dat de rechters onpartijdig zouden zijn vanwege eerdere beslissingen en persoonlijke omstandigheden. De Raad heeft echter geoordeeld dat het wrakingsverzoek niet gericht was op individuele rechters, maar op het college als geheel, wat niet onder artikel 8:15 Awb Pro valt.

Verzoeker voerde onder meer aan dat de Raad ambtsmisdrijven pleegde en dat hij vanwege eerdere uitspraken zijn bijstandsuitkering verloor. Deze algemene bezwaren zijn niet voldoende om de onpartijdigheid van specifieke rechters aan te tonen. De Raad benadrukte dat wraking alleen mogelijk is bij concrete feiten of omstandigheden die de persoonlijke onpartijdigheid van een rechter aantasten.

Na het horen van partijen en het bestuderen van het dossier concludeerde de Raad dat geen wrakingsgrond aanwezig was. Het verzoek om wraking werd daarom afgewezen. De uitspraak werd gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 24 oktober 2011.

Uitkomst: Het verzoek om wraking van de behandelende rechters is afgewezen wegens ontbreken van concrete feiten die onpartijdigheid aantasten.

Uitspraak

10/372 WWB-W
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
B E S L I S S I N G
op het verzoek op grond van artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht, gedaan door:
[verzoeker], zonder vast woon- of verblijfplaats (hierna: verzoeker),
Datum beslissing: 24 oktober 2011
I. INLEIDING
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 9 december 2009, nr. 09/973 in het geding tussen verzoeker en het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Bergen op Zoom (hierna: College).
Tijdens het onderzoek ter zitting op 27 september 2011 heeft verzoeker verzocht om wraking van de behandelende rechters N.J. van Vulpen-Grootjans, O.L.H.W.I. Korte en W.F. Claessens (hierna: behandelende rechters), waarna het onderzoek ter zitting is geschorst.
Verzoeker, het College en de behandelende rechters zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van de Raad op 17 oktober 2011. Verzoeker is daar verschenen. Het College heeft bij brief van 6 oktober 2011 meegedeeld dat het geen gebruik maakt van de gelegenheid te worden gehoord. De behandelende rechters hebben bij brieven van 6 en 11 oktober 2011 meegedeeld dat zij niet in de wraking berusten en dat zij geen gebruik maken van de gelegenheid te worden gehoord.
II. OVERWEGINGEN
1. In artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is bepaald dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen kan worden gewraakt op grond van feiten of omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Blijkens de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van Pro de Awb (Pg Awb II, p. 410) is de ratio van het instituut wraking gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid en tegen de schijn van rechterlijke partijdigheid.
2. De Raad stelt voorop dat een wrakingsgrond gelegen dient te zijn in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op de (persoon) van de rechter die de zaak behandelt; het wrakingverzoek dient het betrokken lid of de betrokken leden van het rechterlijk college en niet het rechterlijke college als zodanig te betreffen.
3.1. De Raad heeft bij beslissing van 3 september 2010, reg.nrs 10/3658 WWB-VV-W en 10/3771 WWB-VV-W een verzoek van appellant om wraking in twee andere zaken afgewezen. Aan het thans aan de orde zijnde verzoek om wraking heeft verzoeker blijkens het proces-verbaal van de zitting van 27 september 2011 ten grondslag gelegd dat het eerdere verzoek om wraking niet correct is behandeld en dat de wrakingkamer in zijn beslissing van 3 september 2010 zijn wrakingsgronden eigenhandig heeft gewijzigd. Volgens verzoeker is dit een ernstig ambtsmisdrijf. Verzoeker erkent daarom het instituut Centrale Raad van Beroep niet als wettig rechtsorgaan. Verzoeker wraakt de behandelende rechters ook wegens het collaboreren met een illegale neonazi die hem onder de ballen heeft geschopt, terwijl hij een geknakte nek had.
3.2. Verzoeker heeft zijn verzoek ter zitting van 17 oktober 2011 toegelicht als volgt. Door de beslissing van de Raad van 3 september 2010 en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Raad van 28 september 2010, nrs. 10/3350 WWB, 10/3501 WWB, 10/3771 WWB-VV en 10/3658 WWB-VV heeft de Raad er aan meegewerkt dat hij zijn bijstandsuitkering is kwijtgeraakt en niet meer staat ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Bergen op Zoom. Verzoeker heeft daarom geen vertrouwen in de individuele leden van de Raad en ook niet in de Raad als instituut.
4. De Raad is van oordeel dat verzoeker geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die specifiek betrekking hebben op de persoon van één of meer van de behandelende rechters in deze zaak en die raken aan de rechterlijke onpartijdigheid als bedoeld in artikel 8:15 van Pro de Awb. Naar het oordeel van de Raad kunnen de door verzoeker aangevoerde bezwaren niet anders worden opgevat dan te zijn gericht tegen elk lid van de Raad en elke kamer in welke samenstelling dan ook, derhalve tegen de Raad als zodanig. Zoals de Raad eerder heeft overwogen in zijn uitspraken van 28 januari 2005, LJN AS8815 en van 22 augustus 2006, LJN AY8554, is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van Pro de Awb ziet. Het verzoek dient dan ook te worden afgewezen.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Wijst het verzoek om wraking af.
Deze uitspraak is gedaan door J.C.F. Talman als voorzitter en J.J.A. Kooijman en E.J Govaers als leden in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 oktober 2011.
(get.) J.C.F. Talman.
(get.) S. Werensteijn.
RH