ECLI:NL:CRVB:2012:BV0205
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op WIA-uitkering en weigering verdere Ziektewet-uitkering bevestigd door Centrale Raad van Beroep
Appellant, werkzaam als algemeen medewerker, viel in 2004 uit wegens rug-, vermoeidheids- en andere klachten. Het UWV wees een WIA-uitkering af omdat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Na bezwaar en meerdere gerechtelijke procedures oordeelde de rechtbank dat het UWV onvoldoende had toegelicht waarom bepaalde functies passend waren, waarna het UWV het besluit heroverwoog.
In vervolg daarop weigerde het UWV ook verdere uitkering op grond van de Ziektewet per 3 september 2009, gebaseerd op medische rapportages van verzekeringsartsen en specialisten. De rechtbank verklaarde de beroepen tegen deze besluiten ongegrond, daarbij stellende dat de medische en arbeidskundige onderbouwing voldoende was.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraken in hoger beroep. De Raad vond dat de bezwaarverzekeringsartsen en arbeidsdeskundigen adequaat hadden gemotiveerd waarom de beperkingen van appellant niet verder gingen dan vastgesteld. Nieuwe medische rapporten uit 2011 waren niet specifiek toegespitst op de relevante data en gaven geen aanleiding tot herziening. Het verzoek tot benoeming van een deskundige werd afgewezen.
De Raad concludeerde dat appellant minder dan 35% arbeidsongeschikt is en dus geen recht heeft op WIA-uitkering. Ook de weigering van verdere Ziektewet-uitkering werd bevestigd. Verzoeken tot schadevergoeding en proceskostenveroordeling werden afgewezen. De beslissing werd in het openbaar uitgesproken op 4 januari 2012.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de besluiten van het UWV worden bevestigd.