ECLI:NL:CRVB:2012:BV0751
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging ingangsdatum bijstand na verwijtbaar late aanvraag door appellant
Appellant meldde zich op 2 februari 2010 voor het aanvragen van bijstand op grond van de WWB. Een intakegesprek op 16 februari 2010 verliep onheus, waarbij appellant boos wegliep en dreigementen uitte, waardoor het gesprek werd beëindigd en geen aanvraag tot stand kwam. Vervolgens diende een gemachtigde namens appellant op 15 maart 2010 een aanvraag in.
Het College kende bijstand toe met ingang van 15 maart 2010, omdat appellant verwijtbaar te laat was met het indienen van de aanvraag. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en de Centrale Raad van Beroep bevestigde deze uitspraak in hoger beroep.
De Raad oordeelde dat appellant had moeten begrijpen dat door zijn eigen handelen op 16 februari 2010 geen aanvraag was gedaan en dat het College niet verplicht was dit schriftelijk te bevestigen. De brief van 17 februari 2010 bood geen aanleiding tot een andere conclusie. De Raad verwierp ook het verweer dat het College niet bevoegd was de ingangsdatum op 15 maart 2010 te stellen, omdat appellant door eigen toedoen de aanvraag niet eerder had ingediend.
De Raad concludeerde dat met de aanvraag op 15 maart 2010 een nieuwe situatie ontstond, waardoor het College op goede gronden deze datum als ingangsdatum hanteerde. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De ingangsdatum van de bijstand wordt bevestigd op 15 maart 2010 wegens verwijtbaar te late aanvraag door appellant.