ECLI:NL:CRVB:2012:BV0831
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging weigering herziening WAO-uitkering wegens onvoldoende medische onderbouwing wachttijd
Appellant, sinds 1990 WAO-uitkeringsgerechtigde, werd op 17 maart 2008 door een verzekeringsarts geschikt geacht voor zijn werk als meewerkend voorman. Het UWV weigerde daarop de herziening van zijn WAO-uitkering omdat de wachttijd van 104 weken niet was vervuld. De rechtbank oordeelde dat de vaststaande geschiktheid per 17 maart 2008 betekende dat de wachttijd niet was vervuld.
In hoger beroep stelt de Centrale Raad van Beroep dat de verzekeringsarts alleen een oordeel gaf over de situatie op 17 maart 2008 en niet over de medische situatie daarna. Voor een juiste beoordeling is aanvullend medisch onderzoek nodig dat de gehele periode na die datum beslaat. Het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank worden daarom vernietigd wegens onvoldoende motivering en strijd met artikel 7:12 Awb Pro.
Het UWV heeft echter in hoger beroep met een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts gemotiveerd onderbouwd dat de medische situatie na 17 maart 2008 zodanig was dat de wachttijd niet was vervuld. Appellant bracht geen tegenbewijs in. De Raad bevestigt dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand kunnen blijven. Tevens veroordeelt de Raad het UWV in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het bestreden besluit en de uitspraak worden vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.