ECLI:NL:CRVB:2012:BV1250
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand bij inkomensdaling na normwijziging voor alleenstaande
Appellante ontving bijstand volgens de norm voor een alleenstaande ouder. Na de 18e verjaardag van haar zoon in 2009 werd haar bijstand herzien naar de norm voor een alleenstaande met toeslag van 20%. Zij vroeg bijzondere bijstand ter compensatie van de inkomensdaling, welke door het College werd afgewezen en dit besluit werd door de rechtbank bevestigd.
In hoger beroep stelde appellante dat de inkomensdaling haarzelf betreft en dat het College haar financieel moet compenseren, niet haar zoon. Zij verwees naar een rapport van de Inspectie Werk en Inkomen en een brief van de staatssecretaris. De Raad oordeelde dat het verschil in inkomen op zichzelf geen grond is voor bijzondere bijstand en dat de kosten betrekking hebben op haar zoon, die zelfstandig bijstand ontvangt sinds zijn 18e.
De Raad bevestigde dat het College het inkomensverlies kan compenseren via het kind en dat dit beleid niet in strijd is met artikel 35, lid 1, WWB. Ook de tijdelijke detentie van de zoon die zijn aanspraak op bijstand beperkte, veranderde hier niets aan. Het hoger beroep werd afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand ter compensatie van inkomensdaling is terecht afgewezen en het hoger beroep wordt ongegrond verklaard.