ECLI:NL:CRVB:2012:BV1279
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- J. Brand
- I.M.J. Hilhorst-Hagen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering één-oudertoeslag wegens gezamenlijke huishouding
Appellante had een één-oudertoeslag toegekend gekregen op grond van de Wet studiefinanciering 2000. De Minister herzag deze toekenning en vorderde de toeslag terug over de periode van 1 april 2006 tot 1 augustus 2009, omdat appellante sinds 2 maart 2006 samenwoonde met haar partner die ook op haar adres stond ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarna zij in hoger beroep stelde dat de inschrijving in de GBA niet doorslaggevend was en dat de affectieve relatie en gezamenlijke huishouding met haar partner in december 2006 was geëindigd. Zij voerde aan dat haar partner de woning had verlaten en dat zij bewijs had in de vorm van huurbetalingen, verklaringen van buurtbewoners en kinderopvang.
De Raad overwoog dat op grond van de wet een partner is degene die meer dan zes maanden onafgebroken een gezamenlijke huishouding voert en op hetzelfde adres staat ingeschreven in de GBA. Appellante erkende dat zij tot december 2006 samenwoonde met haar partner. Het was aan appellante om aan te tonen dat zij daarna weer voldeed aan de voorwaarden voor de toeslag. Dit is niet gelukt, omdat de partner ook na december 2006 in de GBA op hetzelfde adres stond ingeschreven en de overige bewijsstukken onvoldoende specifiek waren om het tegendeel aannemelijk te maken.
De Raad stelde vast dat de problemen die appellante ondervond voortvloeien uit het niet tijdig melden van de samenwoning en het beëindigen daarvan, en dat deze voor haar risico komen. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de herziening en terugvordering van de één-oudertoeslag bevestigd.