ECLI:NL:CRVB:2012:BV1789
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vernietiging besluit afwijzing bijstand wegens onduidelijkheid hoofdverblijf
Appellant vroeg bijstand aan als alleenstaande en gaf een adres op als hoofdverblijf. Het College vermoedde dat hij feitelijk woonde bij zijn voormalige echtgenote en voerde een onderzoek uit. Op basis daarvan werd de aanvraag afgewezen en een voorschot teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en stelde dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde bij zijn voormalige echtgenote. Appellant stelde in hoger beroep dat hij weliswaar vaak bij zijn voormalige echtgenote was, maar niet zijn hoofdverblijf daar had en dat de gegevens onvoldoende waren om dit te concluderen.
De Raad oordeelde dat de beschikbare gegevens niet toereikend waren om te concluderen dat appellant zijn hoofdverblijf bij zijn voormalige echtgenote had. Tegelijkertijd slaagde appellant er niet in aannemelijk te maken dat hij op het opgegeven adres woonde, mede door afwezigheid bij huisbezoeken en het ontbreken van bewijs van vaste lasten.
Daarom vernietigde de Raad het bestreden besluit en de uitspraak van de rechtbank, verklaarde het beroep gegrond, maar bepaalde dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Tevens werd het College veroordeeld in de proceskosten van appellant.
Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en het besluit tot afwijzing van de bijstand wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen van het besluit blijven in stand.