ECLI:NL:CRVB:2012:BV1902
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J. Brand
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering kinderbijslag ondanks ontvoering kinderen
Appellante had kinderbijslag ontvangen voor haar twee kinderen die sinds 15 augustus 2003 vermist zijn en worden geacht niet meer tot haar huishouden te behoren. De Sociale verzekeringsbank (Svb) beëindigde het recht op kinderbijslag met ingang van het vierde kwartaal van 2004 en vorderde het te veel ontvangen bedrag van €6.846,21 terug. Appellante stelde bezwaar in tegen de terugvordering, maar dit werd ongegrond verklaard, behalve dat zij in termijnen mocht terugbetalen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond omdat zij geen beroep had ingesteld tegen de eerdere beslissing op bezwaar waarin het recht op kinderbijslag was beëindigd. De rechtbank oordeelde dat de feitelijke situatie leidend is en appellante de ontvoering had moeten melden. In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunten en voerde aan dat de ontvoering een dringende reden zou moeten zijn om af te zien van terugvordering.
De Raad bevestigde dat de Svb op grond van artikel 24 AKW Pro gehouden is tot terugvordering van onverschuldigde betalingen, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. De door appellante aangevoerde omstandigheden, waaronder de ontvoering, vormen geen dringende reden. Omdat zij niet tegen de eerdere beslissing op bezwaar in beroep was gegaan, kon de Raad zich niet uitlaten over het recht op kinderbijslag zelf. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de terugvordering bevestigd.
Uitkomst: De terugvordering van kinderbijslag wordt bevestigd en appellante moet het bedrag terugbetalen.