ECLI:NL:CRVB:2012:BV2698
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- M. Greebe
- J.J.T. van den Corput
- Rechtspraak.nl
Tijdigheid ziekte-aangiften en toekenning Ziektewet-uitkering
Een werknemer van appellant meldde zich op drie verschillende data ziek in 2007. Een arbeidsdeskundige stelde in juni 2008 vast dat de werknemer recht had op een Ziektewet-uitkering. Appellant diende op 1 juli 2008 ziekte-aangiften in bij het UWV. Het UWV weigerde echter de uitkering over de periode vóór 2 juli 2008 wegens te late indiening.
De rechtbank oordeelde dat de vier-dagen-termijn begon op de dag dat appellant het rapport ontving, 27 juni 2008, en dat de aangiften op 2 juli 2008 te laat waren. Appellant ging in hoger beroep en stelde dat de verzenddatum (1 juli 2008) bepalend is en dat de termijn pas op 28 juni 2008 begint.
De Raad stelde vast dat de termijn van vier dagen begint op de dag na ontvangst van het rapport, dus 28 juni 2008, en eindigt op 1 juli 2008 om middernacht. Omdat appellant de aangiften op 1 juli 2008 verzond, zijn deze tijdig ingediend. De Raad draagt het UWV op het besluit te herstellen en wettelijke rente toe te kennen.
De uitspraak bevestigt het belang van een correcte interpretatie van de termijn voor ziekte-aangiften en benadrukt dat de verzenddatum bepalend is voor tijdigheid. Het UWV moet het besluit aanpassen en rekening houden met de wettelijke rente.
De uitspraak is gedaan door de Centrale Raad van Beroep op 25 januari 2012 en betreft een geschil over de toepassing van artikel 38b van de Ziektewet.
Uitkomst: De ziekte-aangiften zijn tijdig ingediend en het UWV moet het besluit herstellen en wettelijke rente toekennen.