ECLI:NL:CRVB:2012:BV2939
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstand wegens schending inlichtingenverplichting over sieradenvermogen
Appellante ontving bijstand van september 2001 tot maart 2004. Uit onderzoek bleek dat zij bij de aanvraag sieraden in eigendom had, maar dit niet had gemeld aan het College. De Sociale Recherche voerde nader onderzoek uit, leidend tot een besluit van het College om de bijstand over deze periode in te trekken en terug te vorderen.
Appellante voerde aan dat zij destijds niet over de sieraden beschikte omdat zij in een 'Blijf van mijn lijf-huis' verbleef, en dat zij de sieraden pas later terugkreeg. De Raad oordeelde echter dat appellante niet aannemelijk had gemaakt dat zij niet redelijkerwijs over de sieraden kon beschikken. Tevens bleef onduidelijk welke sieraden zij precies bezat en welke waarde deze vertegenwoordigden.
De Raad stelde vast dat appellante haar inlichtingenverplichting schond, wat een rechtsgrond vormt voor intrekking van bijstand indien het recht op bijstand daardoor niet kan worden vastgesteld. Omdat het vermogen niet onder de vrij te laten grens kon worden vastgesteld, kon het recht op bijstand niet worden vastgesteld. Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van bijstand bevestigd wegens schending van de inlichtingenverplichting over sieradenvermogen.