ECLI:NL:CRVB:2012:BV3484
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- G.A.J. van den Hurk
- L. van Eijndthoven
- Rechtspraak.nl
Weigering WW-uitkering wegens dringende reden ontslag na ernstige bedreigingen op werk
Appellant was sinds november 2008 in dienst bij een werkgever en bedreigde op 10 maart 2009 meerdere collega’s ernstig, wat leidde tot ontslag op staande voet. De werkgever bevestigde dit ontslag en deed aangifte. Appellant vroeg een WW-uitkering aan, die aanvankelijk geheel werd geweigerd wegens verwijtbare werkloosheid.
Appellant maakte bezwaar met medische informatie over psychische klachten. Het UWV verklaarde het bezwaar gegrond en kende een gedeeltelijke WW-uitkering toe (35% gedurende 26 weken). De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen deze beslissing ongegrond, omdat de psychische problemen niet zodanig waren dat appellant geheel niet verantwoordelijk kon worden gehouden voor zijn gedrag.
In hoger beroep stelt appellant dat hem geen verwijt kan worden gemaakt voor de werkloosheid. De Raad oordeelt dat de dringende reden voor ontslag vaststaat en dat van de werkgever niet redelijkerwijs kon worden verlangd de arbeidsovereenkomst voort te zetten na de bedreigingen. De psychische problematiek leidt niet tot volledige verwijtloosheid. De gedeeltelijke weigering van de WW-uitkering wordt bevestigd en het hoger beroep wordt verworpen.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de gedeeltelijke weigering van de WW-uitkering wegens dringende reden voor ontslag na ernstige bedreigingen.