ECLI:NL:CRVB:2009:BH2390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- M.A. Hoogeveen
- H.G. Rottier
- B.M. van Dun
- Rechtspraak.nl
Heropening WW-uitkering na beëindiging arbeidsovereenkomst wegens niet tijdig verschijnen op werk
Appellant trad op 20 november 2006 in dienst bij een werkgever, maar verscheen op 24 november 2006 niet tijdig op het werk vanwege een defecte scooter. De werkgever beëindigde de arbeidsovereenkomst per direct in de proeftijd. Het UWV weigerde de WW-uitkering omdat appellant verwijtbaar werkloos zou zijn geworden door hardnekkige weigering om redelijke opdrachten op te volgen.
De rechtbank oordeelde aanvankelijk dat sprake was van verwijtbare werkloosheid en handhaafde de weigering van de WW-uitkering. Appellant ging in hoger beroep tegen dit besluit. De Centrale Raad van Beroep overwoog dat voor de beoordeling van een dringende reden een materiële toets geldt, waarbij niet beslissend is of de werkgever zich op die reden heeft beroepen of of opzegging binnen de proeftijd plaatsvond.
De Raad concludeerde dat de gegevens niet voldoende zijn om te spreken van een dringende reden in de zin van artikel 7:678 BW Pro. De werkgever was ontevreden over de inzet van appellant, maar er was geen sprake van een hardnekkige weigering om redelijke opdrachten op te volgen. De Raad vernietigde daarom het bestreden oordeel en bepaalde dat het UWV opnieuw moet besluiten over het bezwaar van appellant. Tevens werd het betaalde griffierecht aan appellant vergoed.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt het oordeel over verwijtbare werkloosheid en bepaalt dat het UWV opnieuw moet besluiten over het bezwaar van appellant.