ECLI:NL:CRVB:2012:BV3783

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
10 februari 2012
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6452 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:15 AwbArt. 8:75 AwbWet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong)
Verwijzingen
5 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking Wajong-uitkering per 1 januari 2010 vereist nieuw primair besluit en doorzending naar UWV

Appellante diende een aanvraag in voor een Wajong-uitkering vanwege arbeidsongeschiktheid vanaf haar zeventiende verjaardag. Het UWV kende haar aanvankelijk een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheid van 55-65%. Na bezwaar herzag het UWV dit besluit en trok de uitkering per 1 januari 2010 in op basis van een gewijzigde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag.

De rechtbank oordeelde dat het herzieningsbesluit een besluit op bezwaar was en vernietigde het besluit vanwege onzorgvuldigheid, maar liet de rechtsgevolgen in stand. In hoger beroep stelde appellante dat de intrekking een nieuw primair besluit betrof waartegen een nieuw bezwaar had moeten worden ingediend.

De Raad concludeerde dat de intrekking per 1 januari 2010 niet binnen de reikwijdte van het oorspronkelijke besluit viel en daarom niet als besluit op bezwaar kon worden gezien. Dit besluit moest als een nieuw primair besluit worden behandeld, waarvoor eerst een bezwaarschrift bij het UWV had moeten worden ingediend. De Raad vernietigde het deel van de uitspraak dat de rechtsgevolgen in stand liet en zond het beroep door aan het UWV ter behandeling als bezwaarschrift.

Daarnaast veroordeelde de Raad het UWV tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan appellante.

Uitkomst: De intrekking van de Wajong-uitkering per 1 januari 2010 is een nieuw primair besluit dat eerst via een bezwaarschrift bij het UWV behandeld moet worden; het beroep wordt doorgezonden en de proceskosten worden aan appellante toegewezen.

Uitspraak

10/6452 WAJONG
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te [woonplaats] (appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 20 oktober 2010, 10/68 (aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).
Datum uitspraak: 10 februari 2012
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante is hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Partijen hebben nadere stukken toegezonden.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2011, waar appellante, bijgestaan door mr. D.J. Ladrak, advocaat, is verschenen en waar het Uwv zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. K.M. Schuyt.
II. OVERWEGINGEN
1. Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de artikelen van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) zoals die luidden tot 1 januari 2010.
1.2. Appellante, geboren op [datum] 1968, heeft op 28 oktober 2008 een aanvraag ingediend voor een Wajong-uitkering vanwege vanaf haar zeventiende verjaardag bij haar bestaande arbeidsongeschiktheid.
1.3. Bij besluit van 4 februari 2009 heeft het Uwv appellante met ingang van 28 oktober 2007 een Wajong-uitkering toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 55 tot 65%. Daaraan ligt het standpunt ten grondslag dat appellante, met inachtneming van haar functionele beperkingen, geschikt is voor passende functies. Tevens heeft het Uwv beslist dat geen sprake is van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv bevoegd zou zijn de Wajong-uitkering van appellante met een verdere terugwerkende kracht dan een jaar toe te kennen.
1.4. Naar aanleiding van het door appellante daartegen gemaakte bezwaar heeft het Uwv het besluit van 4 februari 2009 herroepen bij besluit op bezwaar van 27 november 2009 (bestreden besluit) omdat appellante, op grond van nader verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, op 28 oktober 2007 minder dan 25% arbeidsongeschikt is te achten. Tevens heeft het Uwv hierbij de Wajong-uitkering van appellante (met inachtneming van een uitlooptermijn) met ingang van 1 januari 2010 ingetrokken.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat het herzieningsbesluit kan worden aangemerkt als een besluit in het kader van de heroverweging van het besluit van 4 februari 2009 en dat het bezwaarschrift niet is gebruikt om een verslechtering van de positie van appellante te bereiken die zonder bezwaarschriftprocedure niet mogelijk zou zijn geweest. Inhoudelijk heeft de rechtbank geoordeeld dat de gewijzigde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag kunnen standhouden, evenals de intrekking van de uitkering per 1 januari 2010. Hierdoor is de rechtbank niet toegekomen aan de vraag of sprake is van een bijzonder geval. Wel heeft het Uwv naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig gehandeld omdat appellante niet in de gelegenheid is gesteld om tijdens een nadere hoorzitting op de voorgenomen grondslagwijziging te reageren. De rechtbank heeft om deze reden het beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar daarbij bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voorts heeft zij beslissingen genomen over vergoeding van proceskosten en griffierecht.
3. In hoger beroep heeft appellante aangevoerd dat de rechtbank heeft miskend dat het Uwv buiten de grenzen van het geschil is getreden. Haar bezwaar richtte zich uiteindelijk alleen nog tegen de weigering om een bijzonder geval te aanvaarden en met name de weigering om haar uitkering te laten ingaan per 1 september 2006, zijnde de datum waarop zij haar werkzaamheden als muziekdocente heeft beëindigd. Appellante meent dat de intrekking van haar uitkering bij een nieuw primair besluit had moeten gebeuren.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt vast dat appellante bezwaar heeft gemaakt tegen het besluit tot toekenning van een Wajong-uitkering per 28 oktober 2007. Aanvankelijk betroffen de bezwaargronden de vastgestelde mate van arbeidsongeschiktheid tot 18 november 2008 - op welke datum het Uwv de uitkering verhoogde naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100% - en de ingangsdatum van de uitkering. Naar aanleiding van deze bezwaargronden is het Uwv overgegaan tot een herbeoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid die ertoe heeft geleid dat de uitkering is ingetrokken per 1 januari 2010. Gelet op het tijdsverloop van twee jaar en ruim twee maanden na 28 oktober 2007, oordeelt de Raad dat de intrekking van de uitkering niet valt binnen de grondslag en reikwijdte van het besluit van 4 februari 2009. Daarbij neemt de Raad in aanmerking dat de intrekking berust op een sterk gewijzigde verzekeringsgeneeskundige en arbeidskundige grondslag en eerst per 1 januari 2010 kon worden geëffectueerd.
4.2. De Raad verbindt hieraan de conclusie dat de intrekking per 1 januari 2010 niet kan worden gezien als een besluit op bezwaar, maar moet worden gezien als een primair besluit, waartegen eerst een bezwaarschrift had moeten worden ingediend bij het Uwv. Dit houdt in dat de rechtbank ten onrechte een inhoudelijk oordeel heeft gegeven over dit besluit. Aangezien dit besluit naar het oordeel van de Raad nadere behandeling door het Uwv behoeft, zal de Raad het beroepschrift met overeenkomstige toepassing van artikel 6:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) doorzenden aan het Uwv ter behandeling als bezwaarschrift. De Raad ziet hierin aanleiding de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten, dat wil zeggen voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven, te vernietigen.
5. De Raad acht in verband met hetgeen is overwogen onder 4.2 termen aanwezig om het Uwv op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante voor de in beroep en in hoger beroep verleende rechtsbijstand tot een bedrag van in totaal € 1.748,-.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarbij is bepaald dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven;
Veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.748,-, te betalen door het Uwv;
Bepaalt dat het Uwv aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter, en J.P.M. Zeijen en R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van I.J. Penning als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2012.
(get.) J. Brand.
(get.) I.J. Penning.
IvR